Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
206
bewoners 10 van Duitschland. — Men heeft voorbeelden 11
van menschen, die men door 12 moedwil 13 zoodanig 14 had
verschrikt 15, of die door een ongeluk zeiven zoo verschrikt 16
waren, dat hun in 17 éénen nacht het haar uitviel 18, of
grijs 19 werd.
10. 14. fo. 18. auéftcl.
11. ScifpUl, n. 2. 15. crfchrecft. 19. grau.
12. burch, (4). 16- crfchrocEen.
13. SDïuthmilUn, m. 17. in, (3).
145.
Wanneer 1 de zon op 2 vallende 3 regendroppelen 4 schijnt 5,
en wij in diervoege 6 staan 7, dat de zon achter 8, en de
regenwolk 9 voor 10 ons staat, (zoo) zien 11 wij een' regen-
boog 12. De regendroppelen kan 13 men als doorschijnende 14
kogeltjes 15 beschouwen 16, waarin 17 de zonnestralen 18
tweemaal gebroken 19 worden, en eenmaal terugstuiten 20.
Hieruit 21 ontstaan 22 de kleuren 23 van den regenboog:
rood 24, goudgeel 25, zwavelgeel 26, groen 27, hemels-
blauw 28 , purperrood 29 en violet 30.
1. Sffienn.
2. auf, (4).
3. fallen.
4. Sicgcntropfcn,
m. 1.
5. fc^cinen.
6. bergefïalt.
7. (ïchen.
8. hinter, (3;.
9. 3{egenrooIfe,f.3.
10. öor, (3).
11. fehen.
12. Siegenbogen, m.
1.
13. fann.
14. burd;fichf(g.
15. fugel, f. 1.
16. betrachten.
17. worin.
18. @onnen(ïrahI,
m. 3.
19. gebrochen.
20. jurüif praHen.
21. hierauf.
22. entfïehen.
23. garbe, f. 3.
24. roth.
25. golbgelb.
26. fchwefelgelb.
27. grün.
28. himmelblau.
29. purperroth»
30. tjiolett.
OVER DE ONPERSOONLIJKE WERKWOORDEN.
De vervoeging der onpersoonlijke werkwoorden met het voor-
naamwoord eé, het, heeft, de ontbrekende personen uitge-
nomen, al de tijden en wijzen van andere werkwoorden.
De meeste onpersoonlijke werkwoorden zijn regelmatig en
worden met het hulpwoord h a b e n, weinige slechts met
fein vervoegd. Tot voorbeeld diene reguen, regenen.