Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
205
eisclien het hulpwerkwoord haben; b. v. id) habe gefehlt,
gearbeitet, getanjt, k. , ik W gedwaald, gewerkt, gedanst; enz.
6. Doch al diegenen, welke meer een lijden van het on-
derwerp aanduiden, of ook hetzelve in eene beweging naar
een zeker doel, naar eene andere plaats of in een' anderen
toestand verplaatsen, vereischen het hulpwerkwoord fein, b. v.
ich bin gefallen, eerarmt, »erirrt, gcir»ad)fen, K., ik ben
gevallen, verarmd, verdwaald, gegroeid enz.
7. Eindelijk zijn er ook onzijdige werkwoorden, die dan
met fein, dan met haben vervoegd worden, naar dat zij
meer een bedrijf of meer een lijden van het onderwerp uit-
drukken; b. V. ich habe gefahren (alé gnhrniann); ik heb
gereden (als voerman); ich bin gefahren (in een rijtuig).
XXIV. OPSTELLEN OVER DE ONZIJDIGE WERKWOORDEN.
143.
De gierigaard 1 zucht 2 bestendig 3 over 4 de groote ver-
teringen 5 die andere lieden maken. De meeste menschen
werken onophoudelijk 6 om rijkdommen te verkrijgen 7. Deugd
en goede hoedanigheden 8 doen 9 niemand nadeel 9. De over-
haasting doet schade aan ernstige 10 bezigheden 11. Zedig-
heid 12 en zachtmoedigheid 13 voegen 14 iedereen. Braaf-
heid 15 en rechtschapenheid 16 ontbreken 17 den eerlooze 18.
1. ©cijhalé, m. 2. 8. (£igenfd)aft,f.3. 15. Dïcblid^feit, f.
9. fdjaben, (3). 16. 3lcchtfd;a|fen;
10. crnfïlid). heit, f.
11. ©efchaft, n. 2. 17. mangeln.
12. eittfamfcit, f. 18. ehrloé.
13. ©anftmnth, f.
14. gejiemen.
144.
Wie eenen anderen met opzet 1 in het verderf 2 gestort 3
heeft, is niet te beklagen 4, wanneer hij zelf er in 5 gestort
is. — De zeden 6 der oude Duitschers waren, over hel alge-
meen 7, niet zoo bedorven 8, als die der tegenwoordige 9
1. aué 93i)rfa§. 4. bebauern. 7. im Slllgcmeinen.
2. UnglücE, n. 2. 5. hinein. 8. cerborbcn.
3. (ïürjen. 6. bic ©ittcn, f. pl. 9. ic|ig.
2. feufjen.
3. bcftanbig.
4. über, (4).
5. 3luégabe, f. 3.
6. unaufhörlich«
7. erwerben.