Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
202
boek gekocht 12, en ik vlei mij dat het mij bevallen 13 zal.
Hij weigerde het aan te nemen 14. '
14. anjunchmcn.
140.
Ik heb mij voorgenomen 1, alle morgen te zes uur 2 op te
staan 3, en alle avonden te tien uur naar led te gaan 4.
Hoe laat staat gij des morgens gewoonlijk 5 op? Somtijds te
vijf uur, maar somtijds ook te acht uur. Als ik te tien uur
ga slapen 6, sta ik te vijf uur op, en als ik mij te een uur
ter rust hegeefl, sta ik te acht uur op. lloe laafè zijt gij
dan van daag opgestaan 10? Ik ben dezen morgen te vier
uur opgestaan, omdat ik gisteren avond 9 te negen uur naar
bed gegaan 11 was.
6. fid) fchlafcn
gen.
7. ftd) sur aiu^e
begeben.
8. um >»ie biel U^r.
141.
De aarde wentelt 1 alle vier en twintig uren eenmaal om 2
hare as 3; het schijnt 4 ons echter 5, alsof 6 de zon, de maan
en de sterren zich om de aarde bewegen 7. — De Grieken 8
maakten zich meester 9 van de stad Troje 10 door middel W
van een houten 12 paard. Zij schenen 13 van Troje terug te
trekken 14. De Trojanen 15 verblijdden zich, toen IG zij zich
van het heir 17 der Grieken bevrijd 18 geloofden 19, en be-
ijverden zich 20 nu 21 het paard- in 22 de stad te brengen.
Onder 23 degenen, -die zich in het paard hadden verborgen 24,
bevond 25 zich ook Ulysses, de vader van Telemachus 26.
1. borgenommen.
2. um fed)ë U^r.
3. aufliefen.
4. JU Befte gehen.
5. gewöhnlich.
9. aibenb, m. 2.
10. aufge(ïanben.
11. gegangen.
1. fïch brehen.
2. urn, (4).
3. 2id)fe, f. 3.
4. fd;einen.
5. aber.
6. alé ob.
7. bewegen.
8. ©rieche, m. 3.
10. Sroja.
11. mittelfï, (2).
12. höljern.
13. fdjienen {onv.
verl. tijd.)
14. fidjjurüiJjiehett.
15. Srojaner, m. 1.
16. alé.
9. fid) bemad;tigen(2). 17. Jp)cer, n. 2.
18. befreien.
19. glauben.
20. ftd) beeifern.
21. nun.
22. in, (4).
23. unter, (3).
24. herborgen,(^-/ff^to)
25. befanb.
26. Uelemod;.