Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
201
Er zijn werkwoorden, die in liet Hoogdnitscli wederkeerend
zijn, zonder zulks nogtans in het Nederlandsch te wezen, als:
bedingen.
ftch anlehnen, leunen,
fïch auébcbingen,
ftch behingen,
fïch anébitten, verzoeken,
fich auéruhen, uitrusten,
ftch auéfd)lafen, uitslapen,
fïch bebanfen, bedanken,
fïch begeben, afstand doen.
fich bemühen, trachten,
ftch befänftigen, bedaren,
ftd) befireben, streven, trachten,
ftd; entfd)ltc§en, besluiten.
(Ich erfülten, koude vatten,
ftd; crfunbigen, onderzoekdoen,
vernemen,
("tch püdjten, vluchten.
\id) fürchten, vreezen.
fid) grämen,
ftd) härmen,
ftch lehnen, leunen.
kniezen.
ftch merfen, merken,
ftch nahen, j
ftch nahem, j
ftch fehnen, sterk verlangen.
fich fïellen, veinzen.
ftch firäubcn, tegenspartelen.
ftch fïreitcn, twisten.
ftch nmfchen, omzien.
ftch ücrabreben, afspraak maken.
ftch »erfärben, blozen, ver-
bleeken.
ftch ücrheirathen,
ftd) vermählen, ,
fich ferirrcn, verdwalen,
ftch ticrncigen, eene buiging
maken,
ftd; oerfehen, verwachten,
fid; CerfïcUcn, veinzen,
fich weigern, weigeren,
fich Surücfjiehen, terugtrekken.
trouwen.
XXIII. OPSTELLEN OVER DE WEDERKEERENDE WERKWOORDEN.
139.
Goeden morgen 1 , mijn lieve 2 Yriend! hoe 3 vaart 4 gij ?
Ik bevind mij van daag, zoo als ik mij gisteren bevond, na-
melijk 5 heel slecht 6. — Waarom zijt gij dan opgestaan 7 ? —
Ik dacht dat ik mij buiten 8 het bed 9 beter zou bevinden.
Ik zal mij weder nederleggen 10. Gij (2 pers. enk.) hebt u
gevleid. Ik durf 11 niet. Zij beminnen elkander. Ik naderde.
Ilij was bang. Wij zouden ons schamen. Ik heb mij een
1. ©Uten ?9ïorgcn. bu befanbft bich, 9- 9)ett, n. 3.
2. licb, theucr. er bcfanb ftd; jc. 10. ftch wieber nie?
3. wie. 5. nämlid). berlegen.
4. ftch bcfïnben. on- 6. fchr übel. 11. ftch getrauen.
vohn. verl. tijd. 7. aufgcftanbcn. 12. faufcn.
ich befanb mid;, 8. augcr, (3). 13. gefallen.