Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
195
wordt gehaat 8 en veracht 9, omdat hij ongemeen stout 10 en
lui 11 is. Karei! zeide ik onlangs tot 11 hem, gij zijt van
daag gestraft 13 geworden, dewijl gij ondeugend 14 geweest
zijt, en gij zult morgen ook gestraft worden, indien gij u
niet verbetert 15. Maar indien gij u verbetert, (dan) 16 zult
gij bemind en beloond 17 worden.
7. Äarl. 11. faul. 15. bcflfcrn.
8. haffm. 12. neulich ju (3). 16. fo.
9. tjcrachten. 13. jïrafcn. 17. belohnen.
10. fehr unartig. 14. unartig.
138.
De bekwame 1 lieden worden hooggeschat 2 en gezocht 3
maar de onwetende 4 worden gemeenlijk 5 door 6 iedereen
veracht, en het is zeer droevig 7, veracht te worden. Op-
dat 8 gij niet veracht wordet, leert 9 in uwe jeugd goede en
nuttige 10 dingen 11, en gij zult geëerd 12 en geprezen wor-
den. Foor het overige 13 zijt deugdzaam 14, want 15 de
deugd wordt altijd 16 beloond, dewijl zij zich zelve beloont.
1. gcfchicft. 7. fchr traurig. 13. übrigcné.
2. hochfchägcn. 8. bamit. 14. tugenbhaft.
3. fuchen. 9. lemen. 15. benn.
4. uniBijfenb. 10. nüfelich. 16. immer.
5. gemöhnlich« H- 25ing, n. 2.
6. ijon, (3). 12. ehren.
O^^ER DE WEDERKEERENDE WERKWOORDEN.
Wederlceerende werkwoorden zijn dezulke, die de werking of
daad, welke zij uitdrukken, tot den persoon of de zaak terug
voeren, van wie zij uitging, zoo dat een en dezelfde persoon
of zaak, onderwerp en voorwerp, bedrijvend en lijdend tevens
is; b. V. id) freue mich, verheug mij, bu freueft bich,
gij verheugt u, enz.
Sommige werkwoorden zijn uit hun aard altijd wederkee-
rend : fïch fcha'men, zich schamen, ftcfa befinncn, zich bezinnen,
ftch beficigen, zich toeleggen, enz. — Andere zijn eigenlijk
bedrijvende werkwoorden, kunnen echter als wederJceerend ge-
13*