Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
194
futurum Cf actum, (Vorjufunft).
Tweede toekomende tijd.
ich rccrbc gelobt irorbcn fein,
bu n>crbc(t gelobt morben fein,
cr raerbe gelobt roorbcn fein,
roir werben gelobt roorben fein,
ihr werbet gelobt worben fein,
fie werben gelobt worben fein,
ik zal geprezen
gij zult geprezen
hij zal geprezen
wij zullen gepr.
gij zult geprezen
zij zullen gepr.
geworden zijn.
geworden zijn.
geworden zijn.
geworden zijn.
geworden zijn.
geworden zijn.
^mpcratit), (Sefchléform).
Gebiedende wijs.
werbe (bu) gelobt, word (gij) geprezen,
werbet (ihr) gelobt, wordt (gij) geprezen,
werben @ie gelobt, wordt (gij) geprezen.
XXI.
opstei.len over de lijdende werkwoorden.
136.
Laat ons nu iot tijdkorting 1 eenige werkwoorden 2 ver-
voegen 3. Tegenv). tijd: Ik beiirin en ik word bemind; gij
bemint en gij wordt bemind; hij bemint en hij wordt bemind;
wij beminnen en wij worden bemind; gij bemint en gij wordt
bemind; zij beminnen en zij worden bemind. Onvolm. verl.
tijd: Ik beminde en ik werd bemind; gij bemindet en gij
werdt bemind; hij beminde en hij werd bemind; wij beminden
en wij werden bemind; gij bemindet en gij werdt bemind;
zij beminden en zij werden bemind. Folm. verl. tijd: Ik
heb bemind en ik ben niet bemind geworden , enz. — Ik bid 4
u mijnheer! laat ons eindigen 5 : want 6 het verveelt mij 7
hoe fraai het ook is 8.
1. jum 3eifoertrctb. 4. bitten. 7. eé macht mir San?
2. 3cifwort (ö), n. 4. 5. cnbigen. gewcile.
3. conjugiren. 6. benn. 8. fofc^öneéauchifl.
137.
Lijsje I wordt door 2 iedereen bemind en geprezen, omdat 3
zij schrander 4 en naarstig 5 is , maar 6 haar broeder Karei 7
1. Sifefte. 3. weil. 5. flcigig.
2. Don, (3). 4. uerfïanbig. 6. alïein.