Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
188
kasteelen 11 bouwde 12 antwoordde 13 den snaakschen 14
vent 15 (*), die op Maren helderen dag IQ met 17 de lan-
taren 18 menschen zocht 19, toen 20 deze hem zijne schoone
tapijten 21 vertrapte 22 en daarbij 23 zeide 24: „Ik treed 25
uwen hoogmoed 26 met voeten 27!" — „Ja, slechts 28 met
eene andere soort 29 van hoogmoed!" en het kon wel zijn
dat hij gelijk had 30. Die van 31 Samos (§) wees 32 den
titel 33 eens wijzen 34 van de handZI, wilde 35 slechts be-
minnaar 36 der wijsheid heeten.
7. gitclfeit, f. 17. mit, (3).
8. .Ooffletb, n. 4. 18. gatcrne, f. 3.
19. fuchen.
20. ba.
21. Sapcte, f. 3.
22. jertrat.
23. babei.
24. fagen.
25. treten.
26. ©folj, m.
27. gug (ü), m. 2. ,
134. "
Hoe veel 1 genoegen 2 hiedi2> deze aarde den mensch niet
aan 3; doch slechtst de deugdzame 5 weet 6 het in deszelfs
volheid 7 te genieten 8. Verkwikkende 9 Schaduw 10, en
gij, groenende 11 Beemden 12, zalige 13 Velden, konde ik,
voor altijd verborgen 14, in uwe eenzaamheid 15 voortleven 16,
verre van 17 de wereld, van hare bedriegelijke 18 verma-
ken 19! — Hier op 20 deze weilanden 21 vertoeft 22 het geluk
9. unter allen Sllfcn.
10. fdjön.
11. guftrd)lo§(c),n.4.
12. bauen.
13. antworten.
14. brollig.
15. .Kerl, m. 2.
16. am lichten petten
Sage.
28. nur.
29. 2lrt, f. 3.
30. er möd^te mohl
Siecht haben.
31. aué, (3).
32. üerbat fleh«
33. Sitel, m'. 1.
34. meife.
35. rnoßte.
36. Liebhaber, m. 1.
1. reie Piel. 9. erquiden. 15. (ginfamfeit,f.3.
2. SlSonne, f. 10. ©fatten, m.l. 16. hinleben.
3. barbieten. 11. grünen. 17. fern bon (3).
4. aber nur. 12. 2iue, f. 3. 18. betrügerifd).
5. tugenbhaft. 13. felig. 19. greube, f. 3.
6. meig. 14. fónnte ich, für 20. auf, (3).
7. güae, f. immer perbor; 21. Srift, f. 3.
8. geniegen. gen. 22. Permeilen.
(*) Diogenes. ({) Pythagoras.