Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
MannelijJc.
1. naamv. ber, de
2. „ bcé, des
(van den).
3. „ bcm, den
(aan den).
4. „ ben, den.
Enkelvoud.
Vrouwelijk.
1. bie, de.
2. ber, der (van
de).
3. bcr, der, de,
(aan de),
4. bie, de.
Onzijdig.
1. baé, het.
2. bcé, des (van
het).
3. bcm, den, het,
aan het).
4. baé, het.
Meervoud.
Voor alle drie geslachten.
1. bie, de. 3. ben, den, de, (aan de).
2. ber, der, (van de). 4. bic, de.
ALGEMEENE KEGELEN, BETREFEENDE DE VEE-
BUIGING DER ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN.
1. Het meervoud der zelfstandige naamwoorden wordt
op vierderlei wijze gevormd:
Eerste verbuiging: De eerste naamval van het meervoud is
gelijk aan den eersten naamval van het enkelvond; b. v. bcr
jF)inimcl, de hemel, bic J^immcl, de hemelen.
Tweede verbuiging: De eerste naamval van het meervoud
neemt eene c aan; b. v. bcr iïónig, de koning, bie jvönigc,
de koningen.
Derde verbuiging: De eerste naamval van het meervoud
krijgt en3 b. v. ber Sii'^lï/ "ï® vorst, bie ^urflen, de vorsten.
Vierde verbuiging: Men vormt den eersten naamval van
het meervoud door den uitgang cr achter den eersten naamval
van het enkelvoud te voegen; b. v. bcr @ci|ï, de geest, bie
Ocifïer, de geesten (l).
Behalve deze vier verschillende uitgangen hebben vele zelf-
(1) De Duitsche taalkundigen spreken slechts van eene sierie en zwahke
hniging. Tot de laatste behooren de zelfstandige naamwoorden, die in alle
naamvallen dezelfde verandering ondergaan, welke hen van den Nominatief
onderscheidt: daarenboven nemen deze woorden nooit den UlUlflUt aan. Alle
andere zelfstandige naamwoorden behooren tot de sterke buiging.