Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
186
is kort 15; laat ons daarom 16 trachten 17 ons hetzelve zoo
aangenaam, als mogelijh is 18, te maken 19. Maar laat ons
ook in overweging nemen 20 dat het misbruik 21 van zijne
genoegens 22 hetzelve verbittert 23. Laat ons de deugd
altijd 24 beminnen en betrachten 25, en wij zullen gelukkig
zijn in 26 dit en in het andere 27 leven.
10. bcldblgcn. 18. fo angenehm,
11. lieben. alé eé möglich
12. ©Ott. l|?.
13. ber 9ïach(ïc, m. 19. machen.
20. in (Erwägung
jiehcn.
21. gjlifbrauch (äu),
m. 2.
131.
Het is billijk 1 de vlijtigen te beloonen 2, en de luiaards 3
te bestraffen 4. Het is aangenaam, veel geleerd 5 te hebben.
Het is onverantwoordelijk 6 , den tijd der jeugd 7 te verbeu-
zelen 8. De vlijtige leerling is altijd begeerig 9, iets te leeren
en vorderingen 10 te maken. Het beste middel 11, om zich
bij 12 anderen bemind te maken, in vrede 13 te leven en
aanzien te vei'schaffen 14, is bescheidenheid 15 en ootmoed 16.
Gebieden 17 is moeielijker 18 dan gehoorzamen 19; stelen 20
schandelijker 21 dan bedelen 22, en geven zaliger 23 dan
ontvangen 24. Ik heb mijn vriend hooren 25 klagen (*), zijne
14. Sebcn, n. 1.
15. furj.
16. beémegen.
17. trad;ten.
22. Vergnügung, f.
3.
23. tjerbittern.
24. jebcrjcit.
25. auéüben.
26. in, (3).
27. jencé.
1. biaig.
2. belohnen.
3. gaulcnjcr, m. 1.
4. betrafen.
5. lernen.
6. unücrantwortlich.
7. 3ugenb5cit, f. 3.
8. tocrtänbcln.
9. begierig.
10. §ortfd;rifte,
m. 2.#
11. spliftel, n. 1.
12. bei, (3).
13. grieben, m. 1.
14. ftch in Slnfehcn
fe§en.
15. Scfcheibenheit,
f. 3.
16. Semuth, f.
17. befehlen.
18. fchwer.
19. gehord;en.
20. lïehlen.
21. fd;anblich).
22. betteln.
23. felig.
24. empfangen.
25. hören.
26. ©attin, f. 3.
(*) Van twee werkwoorden die in de onbepaalde ..„wijze staan, wordt
datgene in het Hoogduitsch eerst gezet, dat in het Nederlandsch het laatste is;
b. T. gaan wandelen, fpa^ieren 0e§Cn.