Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
185
f
det en betrachttet 5, dat gij uwe plichten 6 ^liet verwaar-
loosdet 7, dat gij de oude lieden eerbiedigdet 8 en dat gij
niemand beleedigdet 9.
Men vertale hetzelfde met den tweeden persoon meervoud,
als ook met den derden persoon meervoud: t^C en ©ie.
1. wünfcheit. 4. arbeitcn. 7. cernachlafltigen.
2. anivcnben. 5. auéüben. 8. e^ren.
3. gleig, m. 2. 6. Aflicht, f- 3. 9. beleibigen.
129.
De zon verlicht 1 en verwarmt 2 de aarde, verlichtte en
verwarmde de aarde, en zal de aarde verlichten en verwar-
men. De maan 3 vergezelt 4 de aarde om de zon, gelijk 5
zij haar vergezeld heeft en altijd vergezellen zal. De liefde
overwint 6 alle moeielijkheden 7. David hoedde 8 de schapen.
Men verwacht 9 den graaf. Zend 10 mij een bode 11. Hij
werkte 12 vlijtig. Zeg 13 de waarheid, "Wij beschouwden 14
de zaak als afgedaan 15. De aankomst IG der zwaluwen 17
en ooievaars 18 verkondigt 19 ons de lente 20. Het einde 21
kroont 22 het werk 23.
1. erleuchten.
2. erroärmen.
3. ?Dionb, m. 2.
4. begleiten.
5. mie.
6. überroinben.
7. ©chn)ierigfeit,f,3.
8. hüten.
17. ©chraalbe, f. 3.
18. ©forch (ö), m.2.
19. ücrfünbigen.
20. grühling,m.2.
21. gnbe, n. 3.
22. frönen.
23. aßerf, n. 2.
9. erwarten.
10. fchicEen.
11. Söote, m. 3.
12. arbeiten.
13. fagcn.
14. betrachten.
15. obgethan.
16. 2lnf«nft, f.
130.
GehoOr?MlÈt 1 (*) aan uwe meesters 2 en doet 3 hun nooit
verdriet aan 3. Betaalt 4 hetgeen gij schuldig 5 zijt. Ver-
troost 6 de ongelukkigen. Zegent 7 hen die u vervloeken 8,
en doet wél% aan degenen die u beleedigd lö hebben. HehtW
God 12 en uwen naaste 13 lief li, als u zeiven. Het leven 14
1. gehorchen. 4. bejahlen. 7. fegnen.
2. Schrer, m. ]. 5. fchulbig. 8. fluchen, (3).
3. 33crbruß machen. 6. tröffen. 9. ©uteé thun.
(*) In dit opstel gebrnike men overal, waar de S'*" persoon voorkomt,
2''" persoon meervoud.
den
I