Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
183
zoo siel zulks niet %it\l. Het is onmogelijk 18, altijd zoo
te handelen dat alle menschen het goedkeuren 19. De
deugd 20 is noodzakelijk 21 om gelukkig 22 te leven 23.
16. mohl JU thun. 18. unmöglich. 21. nothnjcnblg.
17. fo tcrfchlebê cé 19. billigen. 22. glücflicfe.
nicht. 20. Sugenb, f. 3. 23. leben.
124.
Ik ben een mensch; want 1 ik zie 2, ik hoor, ik gevoel 3,
ik smaak 4, ik begeer 5, ik denk 6 en ik spreek 7. Gij (*)
werkt 8, gij rekent 9, gij teekent 10, gij schildert 11, gij leert 12,
gij vertaalt 13 opstellen 14 en schrijft 15 brieven 16. Hij wan-
delt 17, jhij speelt 18 , hij rijdt te paard , hij vischt20 en
hij jaagt 21. Wij bidden 22 en werken, wij beloonen 23,
wij bestraffen 24, wij prijzen 25 en wij berispen 26. Wij
schrijven en rekenen, zij teekenen en schilderen.
1. beun. 10. jeichnen. 19. reiten.
2. fehen. 11. malen. 20. fïfchen.
3. empfïnben. 12. lernen. 21. jagen.
4. fchmecfen. 13. übcrfe^en. 22. beten.
5. begehren. 14. Slufgabe, f. 3. 23. belohnen.
6. benfen. 15. fchreiben. 24. beftrafen.
7. rcben. 16. gSrief, m. 2. 25. loben.
8. arbeiten. 17. fpagieren gehen, 26. tabeln.
9. rechnen. 18. fpielen.
125.
Het paard 1 hinnikt 2. Het schaap 3 blaat 4. De hond 5
blaft 6. De leeuw 7 brult 8. De beer 9 bromt 10. Het var-
ken II knort 12. De ezel 13 balkt 14. De kat 15 mauwt 16.
De wolf 17 huilt 18. De geit 19 blaat 20. De kikvorsch 21
1. ^ferb, n. 2.
2. roiehern.
3. Schaf, n. 2.
4. blöfcn.
5. .^unb, m. 2.
6. bellen.
7. Söme, m. 3.
8. brünen.
9. «5ar, m. 3.
10. brummen.
11. ©chroein, n. 2.
12. grunjen.
13. Sfel, m. 1.
14. fchreien, lanen.
15. j?a§e, f. 3.
16. miauen.
17. SBolf (ö), m. 2.
18. heulen.
(*) Men late in dit opstel de werkwoorden, in den tweeden persoon
staande, op drie verscliillende
©ie arbeiten, enz.
wijzen vertalen, bu atteitcfi, t§r arbeitet,