Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
Een gemeen zelfstandig naamwoord is een naam, die aan
alle voorwerpen, tot dezelfde soort behoorende, gegeven wordt,
als: lei, kind, vriend, enz.
3. Ue bijvoegelijke naamwoorden dienen, om de hoe-
danigheid of eigenschap der zelfstandigheden uit te drukken;
b. V. het oude kleed, de witte wijn, de zwarte inkt, enz.
4. De telwoorden dienen om de hoeveelheid der enkele
dingen uit te drukken, als een, twee, tien, honderd, enz.
5. Het voornaamwoord komtin plaats van het zelfstandige
naamwoord, om de herhaling er van te vermijden; het dient ook om
de voorwerpen meer bepaald aan te wijzen, dan zulks door lidwoor-
den geschiedt; b. v. ik ken mijnen mmxA, hij keni my ook.
6. Het werkwoord is een woord, dat een bestaan of eene
wijziging van het bestaan aanduidt; b. v. Men moet eerst
werken, dan rusten; eerst zaaien, dan oogsten-, eerst denken,
dan spreken. Een werkvjoord vervoegen beteekent al de veranderin-
gen opgeven, waaraan het onderhevig is, en die door de verschil-
lende getallen, personen, tijden en wijzen veroorzaakt worden.
7. Het bijwoord dient, om het werkwoord, het bijvoege-
lijke naamwoord of een ander bijwoord nader te bepalen, als:
De Condor, een zeer groote vogel, welke zich in de Anden
ophoudt, vliegt verbazend hoog.
8. Het voorzetsel wordt gebruikt, om de onderlinge be-
trekking der dingen aan te duiden, gelijk: hij was in den
tuin, hij woont tegenover de kerk; naast het stadhuis.
9. Het voegwoord dient, om de verschillende deelen der
rede met elkander te verbinden, b. v. en, of, dat, opdat,
maar, ook, zoodra, enz.
10. Het tusschenwerpsel wordt gebruikt, om de ver-
schillende bewegingen of aandoeningen der ziel uit te drukken,
zoo als de verrassing, de vreugd, de verwondering, de
smart, enz. gelijk: ach! helaas! och! enz.
VERBUIGING DER LIDWOORDEN.
Het bepalende lidwoord voor het mannelijke geslacht is,
gelijk wij reeds aangemerkt hebben, bcr, de; voor het vrou-
welijke bic, de; en voor het onzijdige baé, het. — £)cr, bic,
baé worden aldus verbogen: