Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
170
6. De werkwoorden
bürfm, mogen, durven (*).
füllen, voelen,
heißen, heeten, bevelen,
helfen, helpen,
heren, hooren.
fönnen, kunnen,
lajfen, laten.
lehren, leeren, onderwijzen,
lemen, leeren,
mögen, mogen (t).
müffen, moeten,
fehen, zien.
foHen, zullen, moeten (§).
icollen, willen.
worden, (even als zulks met de meeste der hier opgenoemde
in het Nederlandsch plaats vindt), wanneer zij als hulpwoor-
den bij een ander werkwoord in de onbepaalde wijs gevonden
worden, niet, gelijk andere werkwoorden, in hel verleden
deelwoord, maar in de onbepaalde wijs gebezigd. Diensvolgens
zegt men b. v.
ich habe cé nid;t thun bürfen, ik heb het niet doen;
icf f)abt ihn fommen hi^ren, ik heb hem Zworen komen;
in plaats van:
ich habe té nicht thun geburft, ich habe ihn fommen gehört.
(*) Deze woorden verschillen in beteekenis eenigszins van de Neder-
landsche werkwoorden.
dürfen, beteekent dat iemand iets doen kan, naar den wil eens anderen.
<Sx barf ntc^t fingen, hij mag niet zingen. Dte ©c^ilbteac^e barf nii^t
fi^Iofcn, de schildwacht mag niet slapen. ®u barffi ben Srief tefen,
gij moogt den brief lezen.
(f) ïWÖgcn beteekent dat iets geschieden kan, naar den wil des sprekers
of naar eigen wil: 5r tnag fingen, hij mag zijgen. ®rmagtctnenSBein
trtnfen, hij mag geen wijn drinken. motzte gern fc^tafcn, ik zou
gaarne slapen.
(§) ©otlen beteekent, dat iets geschieden moet naar den wil eens anderen.
Z)cr Änobe fott jef^nen lernen, de jongen zal of moet teekenen leeren.
fott einen Srief fc^teiben, ik moet eenen brief schrijven. ï)u foUfi
mit mir ge^en, gij zult met mij gaan.