Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
166
117.
Ik wenscUe wel 1 dat gij oplettender 2 wäret {aanv. wijs)
dan gij zijt, en dat uw broeder minder verstrooid 2> ware
{aanv. wijs) van gedachten 3; dan 4 zoude ik heel wel over 5
u en hem tevreden zijn. Ik wensehte 6 dat ik meer tijd
hadde {aanv, wiji) dan ik heb, ik zoude dan beter leeren 7. Mijn
vriend, dat is slechts 8 een voorwendsel 9; gij hebt over-
vloedig 10 tijd, maar gij besteedt denzelven niet behoorlijkW.
1. ich rooHte.
•2. aufmcrffam.
3. nicht fo jcrfïrcut.
4. alét)ann.
5. fchrn)ohlübcr(4j.
10. übcrflüffig.
11. oHcin @ic rocn;
bcn fic nicht gc?
hörig an.
6. iDÜnfchtc.
7. Jcrncn.
8. nur.
9. föormanb (a),
m. 2.
118.
Gave God 1, dat ik hadde {aanv. wijs), wat 2 ik wensehte
te hebben 2), en dat gij haddet {aanv. wijs), wat gij zoo zeer
begeert 4, hoe 5 gelukkig zouden wij zijn. Misschien 6, mijn
vriend! Laat ons niets wenschen 7, maar 8 de dingen zoo
nemen als 9 het der Voorzienigheid 10 behagen zal 11, ons
dezelve toe te zenden 12.
1. sffloHte @ott. 5. mie.
2. baé, maé. 6. oicncicht.
3. JU haben münfch? 7. mir moffen 9ïtchfé
münfd;cn.
8. fonbern.
9. foannchmen,mie.
119.
Wanneer gij te Straatsburg 1 geweest zijn zult, en waujieer
ik te Manheim geweest zijn zal, (dan) 2 zullen wij naar 3 Mentz 4
vertrekken 5, en van daar 6 naar Parijs, alwaar wij ons
eenigen tijd zullen ophouden 7. En wanneer wij al de merk-
waardigheden die er zijn 8, bezichtigd 9 zullen hebben, zullen
te.
4. ©ic fo fehnlich
münfchen.
10. a3orfehung,f.3.
11. gefaffen mirb.
12. fie uné juju?
fchicfcn.
1. @tra§burg.
2. fo.
3. nach, (3).
4. iOïainj.
5. abrcifcn.
6. t)on ba.
7.
mo mir uné ei?
nige Jeit auf?
halten mollen,
affe merfmürbl?
gen ©achcn, bie
jïch ba bcfïnben.
9. bcftchtigt.
10. fo mollen mir...
gehen.
11. mo mir... ju>
bringen mollen.
12. übrig.