Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
163
110.
Ik heb geenen vriend. Gij hebt boeken. Heeft hij geen
vermogen 1 ? Zij heeft geld. Hebben wij inkt 2 ? Zij hebben
geene pennen. Toen 3 ik rijk was, had ik vrienden. Toen
gij nog te kuis 4 waart, hadt gij geen goed onderwijs 5. Waar
was uw broeder, toen uwe zuster les 6 had? Wij waren
verleden 7 zomer op 8 het land en hadden veel vermaak 9.
Waar 10 waren zij? Zij waren in 11 de stad en verveelden
ziel 12.
1. Sjcrmögcn, n. 1.
2. Sintc, f. 3.
3. ba.
4. JU .^aufe.
5. Unterricht, m- 2.
6. etunbe, f. 3,
7. »ergangen.
8. auf, (3).
III.
9. SScrgnügcn, n. 1.
10. roo.
11. in, (3).
12. gangeroeite hoben.
Ik word niet kwaad 1, wanneer 2 een leerling 3 zijn werk 4
niet af 5 heeft, omdat 6 hij daarin 7 door ziekte 8 verhinderd 9
geworden is, noch wanneer hij daarin door andere onver-
wachte 10 omstandigheden 11 belet 12 is geworden. Slechts 13
wanneer luiheid 14 daarvan 15 de reden 16 is geweest, kan 17
de rechtschapen 18 onderwijzer misnoegd 19 worden. Wij zul-
len steeds 20 geprezen 21 worden, wanneer wij onze opstel-
len 22 met vlijt 23 en met oplettendheid 24 zullen hebben
vertaald 25 (vertaald hebben zullen).
1. bPfe.
2. menn.
3. @chüler, m. 1.
4. Slrbeit, f. 3.
5. fertig.
6. njcil.
7. baran.
8. tranfheit, f.
9. ücrhinbcrt.
10. unermartet.
11. Umlïanb (a),
m. 2.
12. jurücf gehalten.
13. uur.
14. gaulhelt, f. 3.
15. baoon.
3. 16. Urfache, f. 3.
17. fann.
112.
De zee 1 was stil 2, de lucht 3 was helder 4. Het scheeps-
volk 5 was op 6 het dek 7. Men had zoo veel 8 moeite 9 en
1. 5Wccr, n. 2. 3. guft (ü), f. 2. 5. echipüolf (ö),
2. ruhtg. 4. flar. n. 4.
10*
18. rcchtfchaffcn.
19. unjufricben.
20. (ïcté.
21. gelobt.
22. Slufgabe, f. 3.
23. emfig.
24. Siufmerffamfett,
f. 3.
25. überfcgt.