Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
162
wie würben werben,
ihr würbet werben,
fte würben werben,
wij zouden worden,
gij zoudet worden,
zij zouden worden.
perfectum, (Sïergangcnheit).
Verleden t ij d.
ich nJÜrbe geworben (worben) fein,
bu würbef! geworben (worben) fein,
er würbe geworben (worben) fein,
wir würben geworben (worben) fein,
ihr würbet geworben (worben) fein,
fte würben geworben (worben) fein.
ik zoude geworden zijn.
gij zoudet geworden zijn.
hij zoude geworden zijn.
wij zouden geworden zijn.
gij zoudet geworden zijn.
zij zouden geworden zijn .
Smperati», (Befehléform).
Gebiedende wijs.
werbe {of werbe bu,) word {of word gij),
werbet, {of werbet ihr,) wordt, {of wordt gij),
werben ©ie, wordt of wordt gij..
XX. OPSTELLEN OVER DB HULPWERKWOORDEN.
109.
Het is gemakkehjk 1 te zeggen 2 : „Ik ben vergenoegd 3,"
maar het is moeielijk 4, het altijd 5 te zijn. Hij die tevre-
den 6 is, is rijk. Gij zijt tevreden en ik ben het ook; dus 7
zijn wij rijk, zonder 8 veel geld te hebben. Gij zijt altijd tn
eene goede luim'è, maar 10 uwe zusters zijn altijd bedroefd 11.
Zeg 12 mij, waarom 13 zijn zij het? Zij zijn het niet altijd,
zij zijn somtijds 14 zeer opgeruimd l'ó, en inzonderheid 16 de
jongste 17, die menigmaal zoo vroolijh 18 is, dat zij mij
voor 19 hare gezondheid 20 doet vreezen 19.
1. Ieid)t.
2. 5u fagen.
3. tjergnügt.
4. fchwer.
5. immer.
6. jufrieben.
7. alfo.
8. ohne.
9. bei guter Saune. 17. jung.
10. aber. 18. manchmal fo
11. traurig.
12. fagen ©ie.
13. warum.
14. bisweilen.
15. fehr munter.
16. befonberé.
fröhlich.
19. ba§ fie mich für.
(4) ... beforgt
macht.
20. ©efunbheif,f.3.