Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
160
er rourbe, (roarb) hij werd.
mir mürben, wij werden,
ihr murbet, gij werdt.
fte mürben, zij werden.
er mürbe, hij werde, of hij
zoude.
mir mürben, wij werden, of
wij zouden,
ihr mürbet, gij werdet, of gij
zoudet.
fte mürben, zij werden, of zij
zouden.
perfectum, (Vergangenheit).
Volmaakt v
ich {»'n gemorben (tcorben), ik
ben geworden,
bu bi|l gemorben (morben), gij
zijt geworden,
er i(l gemorben (morben), hij
is geworden,
mir ftnb gemorben (morben),
wij zijn geworden,
ihr fcib gemorben (njorben), gij
zijt geworden,
fte ftnb gemorben (morben), zij
zijn geworden.
erleden tijd.
ich gemorben (morben), ik
zij geworden,
bu feieft (feifl) gemorben (mor;
ben), gij zijt geworden,
er fei getrorben (morben), hij
zij geworden,
mir feien (fein) gemorben (mor^
ben), wij zijn geworden,
ihr feiet gemorben (morben),
gij zijt geworden,
fte feien (fein) gemorben (mor^
ben), zij zijn geworden.
piuéquamperfectum, (Soröergangenheit),
Meer dan volmaakt verleden tijd.
ic^ mar gemorben (morben), ik
was geworden,
bu marefl (marf!) geiDorben
(morben), gij waart geworden,
er mar gemorben (morben), hij
was geworden,
mir maren gemorben (morben),
wij waren geworden,
ihr maret (marf) gemorben
(morben), gij waart geworden,
fte maren gemorben (morben),
zij waren geworden.
ich märe gemorben (morben),
ik wäre geworden,
bu märeft (märf!) gemorben
(morben), gij wäret geworden,
er märe gemorben (morben)»
hij wäre geworden,
mir mären gemorben (njorben),
wij waren geworden.
ihr märet (märt) gemorben (mor?
ben), gij wäret geworden,
fte mären gemorben (morben),
zij waren geworden.