Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
2 J^abcn, hebben.
3nftnifiö, (Singform).
Onbepaalde w ij z e.
Tegenwoordige tijd. hebben.
Verleden tijd. gehabt / gehad hebben.
Toekomende tijd. lïcrbcn, zullen hebben.
«Participia, (ïKitfcIraórfcr).
Deelwoorden.
Tegenwoordige tijd. f)abcnb , hebbende.
Verleden tijd. gehabt, gehad.
3nbicafit>, (-Birfachfeitéform). Conjunctie, (ÜKöglichfcitéform).
Aantoonende wijze. Aanvoegende wijze.
^rafcné, (®cgcnmart).
Tegenwoordige tijd.
Ich ik heb. ich h<»bc, ik hebbe.
tm hafl, gij hebt. bu ^abtft, gij hebbet.
cr hij heeft, cr höbe, hij hebbe.
n)ir f)ahtn, wij hebben. n)lr haben, wij hebben,
ihr (habt), gij hebt. ihr habet, gij hebbet.
fte höben, zij hebben. fïe haben, zij hebben.
imperfectum, (Sergangenheit).
Onvolmaakt verleden tijd.
(ch hafte / ik had. ich ^ä««, (*)' ik liadde.
bu haftefl/ gij hadt. bu haffefï, gij haddet.
er hatte» hij had. er hätte hij hadde.
mir hatten, wij hadden. mir hätten, wij hadden,
ihr hattet, gij hadt. ihr hättet, gij haddet,
fte hatten, zij hadden. fïe hatten, zij hadden.
«perfectum, (9}Jifeergangenheif).
Volmaakt verleden tijd.
ich habe gehabt, ik heb gehad, ich habe gehabt, ik hebbe gehad.
(*) ^ättC beteekent ook: ik zoude hebben.