Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
151
Dit voornaamwoord eé, het, heeft alsdan betrekking op een
onbekend, ten minste onbepaald iets in de natuur, hetzij een
persoon, of eene zaak; b, v. eé regnet, het regent; cé fc^neiet,
het sneeuwt; cé ^agelt, het hagelt; enz. Dit zijn echte onper-
soonlijke werkwoorden.
Andere worden slechts gebruikt, wanneer men onbepaald
wil spreken, b. v. eé gcfc^ieht, het gebeurt; cé renet mid), het
berouwt mij; eé fchmerjt mid), het smart mij; enz.
Er zijn vijf wijzen:
de onbepaalde,
de aantoonende,
de aanvoegende,
de voorwaardelijke, en
de gebiedende wijze.
De onbepaalde wijze drukt de daad of het lijden uit, zon-
der personen of getallen; als: loben, prijzen; gelobt werben,
geprezen worden, enz. De deelwoorden worden daaronder
begrepen, welke bijvoegelijke naamwoorden zijn, die uit de
werkwoorden gevormd worden, en die, met behoud der regee.
ring van hunne werkwoorden, te gelijker tijd te tijden, even
als de werkwoorden aanwijzen, b. v. lobenb, prijzend; gelobt,
geprezen, enz.
De aantoonende wijze dient, om de daad of het lijden,
naar de verscheidenheid der tijden, op eene rechtstreeksche en
stellige wijze aan te toonen, als: cr ^at mid) ^eute gclobt, hij
heeft mij heden geprezen.
De aanvoegende wijze, die men ook de mogelijke, onzekere,
wenschende wijze zou kunnen noemen, laat het onzeker, of
iets al dan niet geschiedt, en wordt in eenen zin gebruikt,
welke van eenen anderen afhaiigt, en dus nog twijfelachtig
of onzeker is; als: tc^ crlaubc nic^t, bag cr mid) lobc, ik
wil niet hebben, dat hij mij prijze.
De voorwaardelijke wijze maakt de werking van zekere
voorwaarde afhankelijk: "ych würbe cé t^un. Wenn ic^ S^'t
f)'dttt; ik zou het doen, indien ik tijd had.
De gebiedende wijze dient om te bevelen, op te wekken,
te vermanen of te verzoeken, als: Êobf mic^ ntc^t, prijst
mij niet.