Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
150
feiner weiß ob cr morgen no^ onderhoudt mij. Niemand weet
(eben wirb. @ie beraubten uné of hij morgen nog leven zal.
allen unb nahmen 31tlcé itaé fte Zij beroofden ons allen en na-
fanben. Bct (3) 21tlcé iï>aé ()el; men alles wat zij vonden. Bij
lig iff. (Scl bcfd)cibcn gegcn al wat heilig is. Zijtbeschei-
jebcrman, jcbe hat fcinc 3ïor; den jegens iedereen, ieder heeft
jiigc, jcbe (^efchtcElicfcfeit, jcber zijne voorrechten, iedere ge-
jfcnntnig (f.) hat feinen 2öerth schiktheid, iedere kennis heeft
(m.) (ginigcn ftnb glücfltd), hare waarde. Eenigen zijn
mahrcnb Sinbcrn unglücflich gelukkig, terwijl anderen on-
ftnb. gelukkig zijn.
OVER DE WERKWOORDEN.
De werkwoorden geven het bedrijf, het lijden, den toe-
stand of het zijn van eenen persoon of van eene zaak te
kennen.
Er zijïi vijf soorten van werkwoorden: bedrijvende, lijdende,
wederkeerende, onzijdige en onpersoonlijke. Een bedrijvend
werkwoord geeft eene overgankelijke daad te kennen, dat is :
eene daad, die van den werker op een ander voorwerp over-
gaat, als: id) t'chlagc, ik sla; ich lobe, ik prijs. Indien de daad
wederkeert op dengenen die ze verricht, dan noemt men
dat een wederkeerend werkwoord, als: ich fchlagc mich,
mij-, er lobt ftch, i'rijst zich.
Een lijdend werkwoord stelt het onderwerp voor niet als-
werkende , maar als de werking ondergaande, als: ich UJcrbc
gcfchlagcn, ik word geslagen; ich »erbe gelobt, ik word ge-
prezen.
Het onzijdige werkwoord stelt eene handeling voor, welke
niet rechtstreeks op een ander voorwerp kan overgaan, en dus
geen voorwerp kan hebben; als: ich Pë«/ '^h laufe, ik
loop; ich falle, ik val.
Onpersoonlijk noemt men een werkwoord, wanneer het
alleen in den derden persoon van het onzijdige geslacht in
het enkelvoud gebruikt wordt, zoo dat het voorwerp, waarvan
gesproken wordt, slechts geheel onbepaald door het woord cé,
het, er wordt uitgedrukt.