Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
147
baé -Bohl feiner ©c^üIer be?
abfichtigt, fonbern biejenige,
welche il;re ©chüler üorftchtig
unb ftcher leiten, erfüllen bie
'■Pflichtcn, welche il^ncn obliegen.
2luch ftnb nicht bie Jünglinge,
welche fïeté t^re .S'enntniffc auf
(3) ber Junge h^ben, welche
in alleé mitreben, welcher ge?
ringe Äcnntni§ ftch fïeté jeigen
wil, bie|enige, welchen ich
gebilbet nenne.
welke het welzijn zijner leer-
lingeji bedoelt, maar degenen,
welke hunne leerlingen voor-
zichtig en zeker leiden, vervul-
len de plichten, waartoe zij
geroepen zijn. Ook zijn niet
die jongelingen, welke steeds
■ hunne kundigheden op de tong
hebben, welke in alles mede-
praten, welker geringe kennis
zich steeds toonen wil,degenen,
welke ik beschaafd noem.
35.
2ßie von euch h^f mein ge?
bcrmcffer genommen? 3ch ha£>e
oergciTen, wer ich e^ jeigte unb
wer eö mir auö (3) bie .^anb
nahm. 2Ber tß auch ^abe, ich
will e^ jurücE haben. 3ch be?
greife nidK mit (3) welch Siecht
unb unter (3) welch 33orwanb
(m.) cr jurücfhalten fann, waö
mein ©ic ftnb im ^rrthum;
nicht ber, ben ©te eij gezeigt
haben, i)at tß behalten.
faitb (ß unb fragte wcffen e^
fei; feiner wußte, wer eö gehör?
te; ich verwahrte tß, bB ber cß
jurücfforbern würbe ber eö für
ba^ feinige erfennt. — 5Baö iff
ba^ 2)erlangen biefeö ?01anncö?
SJJarie, frage (4) ihm, wer er
ifl unb waö er wünfcht. — 5ßcn?
welcher SKann foll id) fragen (4)?
Set, welcher vor (3) berShüt
l^ehf.
Wie van u heeft mijn pen-
nemes genomen ? Ik heb ver-
geten wien ik het liet zien en
wie het mij uit de hand nam.
Wie het ook hebbe, ik wil het
terug hebben. Ik begrijp niet
met welk recht en onder welk
voorwendsel hij terughouden
kan, wat het mijne is. Gij
vergist uj niet degene, wien gij
het hebt laten zien, heeft het
behouden. Ik vond het en
vroeg van wien het was; nie-
mand wist wien het behoorde;
ik bewaarde het, tot diegene
het terug vorderen zoude die
het voor het zijne erkent. —
Wat is het verlangen van dezen
man ? Maria, vraag hem wie
hij is en wat hij wenscht.
Wien? Welken man moet ik
vragen ? Dien, welke voor de
deur staat.
10*