Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
140
maal weder te geven 17. Zij tooit 18 zich met 19 duizend
schoone voorwerpen 20, welke de oogen bekoren 21. Welke
bewonderenswaardige 22 verscheidenheid 23 onder 24 de die-
ren 25 ! sommige loopen 26, andere gaan 27 en andere vlie-
gen 28, gaan en zwemmen 29.
wicbcrjugc&cn. 22. bcmunberungé? 25. Sh'er, n. 2.
tüürbig. 26. laufen.
23. SScrfchiebenbeit, 27. gelten,
f. 3. 28. fliegen.
24. unter, (3). 29. fdjtüimmen.
18. fchmücft.
19. mit, (3),
20. ©egenftanb (ä),
m. 2.
21. entjücfen.
106.
Na 1 iederen winter volgde 2 tot nu toe nog altijd 3 eene
lente 4, na iederen storm 5 rust 6, na ieder onweer 7 milde 8
zonneschijn 9, na treurige dagen\Q weder dagen der vreug-
de 11. — Eenige visschen kunnen vliegen , eenige vogels
kunnen niet vliegen. — Menigeen roemt op 13 zijne vlijt 14
en brengt toch\h menigen dag geheel ledig 16 15. Allen
willen gelukkig wordenll, maar 18 een ieder op 19 eene andere
wijze 20. Menigeen weet 21 veel, maar 18 niemand weet alles,
Niet allen weten 22 dat alle dieren ademhalen 23.
9. ©onnenfcljein, 16. müßig.
m. 2. 17. moHcn...werben.
10. S:raucrtag,m.2. 18. aber.
11. greube, f. 19. auf, (4).
12. fönnen fliegen. 20. SBeife, f. 3.
13. rühmt fïch, (2). 21. weig.
14. gleiß, m. 22. wiffen.
15. bringt boc^...JU. 23. atomen.
107.
Dat 1 iedereen zijne gebreken 2 heeft 3, zal door niemand
geloochend wordend. — Er is niemand die alles weet 5, die
alles gelezen 6 heeft, alles verstaat 7. Menigeen meent intus-
schen 8 alles te weten 9. — Socrates, de wijste van alle Grie-
1. baß. gelaugnet mx( 7. uerfteht.
2. geiler, m. 1. ben. 8. meint inbeßen.
3. hat. 5. weiß. 9. ju wiffen.
4. wirb üon (3)... 6. gelefen. 10. ©rieche, m. 3.
1. nach, (3).
2. folgte.
3.blé|e|tnochtmmer.
4. grühling, m. 2.
5. ©türm (ü), m. 2.
6. Siuhe, f.
7. ©cmitter, n. 1.
8. milb.