Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
134
Unhelvoud.
Mannelijk. Vrouwelijk.
1. ber, die, welke, dewelke. 1. bie, die, welke, dewelke.
2. beffen, wiens, enz. 2. beren, wier, enz.
3. bem, wien, enz. 3. ber, wie, enz.
4. ben, dien, wien, enz. 4. bie, die, wie, enz.
O n z ij d i g.
1. baé, dat, hetwelk. 3. bem, aan hetwelk, enz.
fj 2. beren, welks, van hetwelk. 4. baë, dat, hetwelk.
Meervoud.
Voor alle drie geslachten.
1. bie, die, welke. 3. benen, wien, welken, enz.
2. beren, wier, welker, enz. 4. bie, die, welke], enz.
Wanneer een betrekkelijk voornaamwoord op een persoonlijk
volgt, zonder herhaling van het persoonlijke, dan vordert
hetzelve altijd het werkwoord in den derden persoon; b. v.
ich, ber enblich meinen grennb gefunben hat. Gewoonlijk ech-
ter worden deze voornaamwoorden herhaald voor den eersten
en tweeden persoon, alsmede voor den derden, wanneer deze
voor den tweeden gebruikt wordt, en dan schikt zich het
werkwoord naar die persoonlijke voornaamwoorden, b. v. ich,
ber id) enblich meinen grennb gefunben habe, ik, die eindelijk
mijnen vriend gevonden heb.
ïiöer of roaé, als betrekkelijk is aanwijzend en betrekkelijk
tevens. S[ßer beteekent: tvie, die, hij, «y, wett-e, en waé komt
overeen met wat, hetgeen; b. v. roer mich Hebt, ift mein greunb,
wie (of hij, die, welke) mij bemint, is mijn vriend, of wie
mij bemint is mijn vriend; »aé id) gefagt habe, ifi njahr,
wat, of hetgeen ik gezegd heb, is waar. Zij worden verbogen,
gelijk de vragende voornaamwoorden roer? en waé?
In het Nederlandseh gebruikt men in plaats van datgene,
hetwelk, meestal slechts hetgeen; deze weglating heeft in het
Hoogduitsch niet zoo veel plaats, b. v. 9ïicmanb foll (ïolj fein
auf baé, ivtaé er weiß; beun ba^, i»aé er roeig, i|ï roenig, gegen
baé, waé er nicht raeig. Niemand moet trotsch zijn op hetgeen