Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
132
eenen boom omhouwen 10? — Wat voor eenen? — Eenen
pereboom 11. — Welken? Eu wat voor een' boom wilt gij
weder poten 12 ? — Eenen kerseboom 13.
10. roia...umf)auen. 12. luiaft bu rotcbcr 13. jïirfd)6aum,
11. Sirnbaum, (au) pflanjcn. (aü) m. 2.
m. 2.
98.
Welke van 1 die vrouwen is uwe moeder, en welke van die
studenten is uw broeder? Aan wien geeft gij deze bloemen?
Van wien hebt gij dezen ruiker 2 ontvaiigen 3? Wat voor een
boek leest gij? Wie is uw beste vriend?... Zachtjes4, mijn-
heer ? waarom 5 vraagt 6 gij mij dat alles ? Welke is uwe be-
doeling 7, en op 8 welke vraag 9 begeert 10 gij dat 11 u
antwoorden zal Welk redelijk 12 mensch doet 13 duizend
vragen te gelijk 14 zoo alsl^ gij doet 16?
1. oon, (3). 7. sibficht, f. 3. 12. vernünftig.
2. '©traug, (a'u)m.2. 8. auf, (4). 13. t^ut.
3. empfangen. 9. grage, f. 3. 14. auf einmal.
4. ©achte. 10. wollen. 15. wie.
5. warum? 11. baß id;... ant; 16. t^un.
6. fragen. Worten foH.
99.
Inl welk land en in welke stad leefde 2 Socrates? Wie
was 3 hij ? Wat weet 4 gij van hem ? 13ij 5 welke volken
vond 6 men godspraken 7 ? Welken vriend had 8 Hendrik IV ?
Welk Eomeinsch 9 keizer 10 was de wreedste 11 en welke
was de beste? Wat voor beroemde 12 dichters kent 13 gij on-
der 14 de Grieken 15 ? Wat voor werken 16 heeft Plato geschre-
ven 17? Van 18 wien was hij een leerling 19? Wat voor
een dichter was Horatius 20 ? Wat voor werken heeft hij ge-
1. in, (3). 8. hatte. . 15. ©rieche, m. 3.
2. lebte. 9. römifch- 16. 5ßerf, n. 2.
3. war. 10. jvaifer, m; 1. 17. hat... gefchrie?
4. wilfen. II. graufam. ben.
5. bei, (3). 12. berühmt. 18. pon, (3).
6. fanb. 13. fennen. 19. ©chüler, m. 1.
7. Orafel, n. 14. unter, (3). 20. J^oraj.