Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
131
Onzijdig.
1, waé für dn, cineéofdné? 3. waé für einem?
2. waé für dncé? 4. maé für cin, cincé ofdné?
SCBcr, wie? dient om naar personen, zoowel in liet enkel-
als meervoud, te vragen, als wer i(t ba? wie is daar? n)cr
ftnb btefc Srcmbcn? wie zijn deze vreemdelingen? enz.
öBaé, wat? dient om naar zaken te vragen, b. v. luaé ift baé?
wat is dat? Met voorzetsels verbonden, wordt het samen-
getrokken in: nJODOn, waarvan, wofür, waarvoor, tuomit,
waarmede, enz.
XVII. OPSTELLEN OVER DE VRAGENDE VOORNAAMWOORDEN.
96.
Wie is altijd 1 wijs, en wie begaat geene dwaasheden 2 ?
Wie heeft altijd gelijk 3, en wie heeft nooit ongelijk 4 ? 'Wel
nu 5, wat zegt gij er vanQ"^ Gij antwoordt 7 mij niet; zeg
mij eens 8, waaraan 9 denkt 10 gij dan? Aan wien behoort 11
dat boek? Aan mijnheer uwen broeder. Wie heeft het u
gegevenll? Hij zelf. Waarover 13 handelt 14 het? Over 15
de Duitsche taal 16.
1. immer.
2. begeef feincShor;
feiten.
3. Siecht.
4. hat niemals Un;
recht.
5. »ohlan.
6. fagen Sic baju?
7. antworten.
8. einmal.
9. woran?
10. bcnfen.
97.
11. gehöret.
12. hat...gegeben.
13. svßotjon?
14. hanbdt.
15. t)on, (3).
16. eprachc, f. 3.
Welke jongen 1 heeft 2 die boeken gekocht 2, en aan welk
meisje heeft 1) hij Aezalve vereerd^? Hoedanige boeken zijn het?
Wiens hoed 4 is dit? Welke kleur 5 is voor de 6 oogen de
heilzaamste 7? Wat voor koren 8 groeit hier Ik wilW
1. jfnabc, m. 3. 4. .^itt (ü), m. 2. 7. heilfam.
2. hat... gd'auft. 5. garbe, f. 3. 8. ©ctrcibc, n. 2.
3. hat... tjcrchrct. 6. bcn. 9. wachft htcr.
9*