Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
128
van ein folcher gebruikt men somtijds ook wel folc^ «in, en
dan blijft folc^, gelijk in het Nederlandseh, onveranderd.
XVI. OPSTELLEN OVER DE ZELFSTANDIGE AANWIJZENDE
VOORNAAMWOORDEN.
93.
Hij, die 1 met 2 zijn lot 3 tevreden 4 is, is gelukkig, en hij
die het niet 5 is, is ongelukkig. Voor 6 dengenen, die leeren
win, is er overal S eene school 9. Gelukkig zijn 10 degenen,
welke gaarne lezen 11. Het geluk helpt 12 degenen, die zich
zeiven helpen 13. Hij is verstandig 14, welke degenen ver-
draagt 15, die 16 het niet zijn. Datgene, waardoor 17 men zijn
doel 18 zoeict te bereiken 19, noemt men 20 een middel.
Zulk een huis en zulk eenen tuin vindt men niet overal
1. welcher of ber.
2. mit, (3).
3. 6d)icffal, n. 2.
4. jufrieben.
5. nicht.
6. für, (4).
7. lernen Witt.
8. giebt eó überaß.
17. woburch«
18. 2lbfichf, f. 3.
19. JU erreichen
fud;t.
20. nennt man.
21. finbet man nicht
überall.
9. ©chule, f. 3.
10. ftnb.
11. gern lefen.
12. hilft, (3).
13. helfen.
14. fing.
15. erträgt.
16. bie.
94.
Help 1 indien 2 gij (2 pers. enkelv^ kunt 2 gaarne diege-
nen , welke 3 uwe hulp 4 noodig hebben 5, al verdienen zij 6
dezelve ook altijd niet 6. Het geluk verheft dikwijls 7 die-
genen , welke het het diepst 8 vernederd heeft 9. De reis 10
door 11 deze wereld is gevaarlijk 12; gelukkig is hij, welke
zieh de wijsheid tot leidsvrouw kiest 13. Met zulk eene
vlijt 14 en zulk eene oplettendheid 15 kan men in 16 korten
1. hilf, (3).
2. wenn .. fannjt.
3. weldje of bie.
4. jF)ülfe, f. 3.
5. bebürfen, (2).
6. lüenn fte auch
nicht immer...
terbienen.
7. erhebt oft.
8. am tieffïen.
9. erniebrigt haf.
10. Dteife, f. 3.
11. burch, (4).
12. gefährlich.
13. welcher bie SBeié;
heifftchjurgüh;
rerin wählt.
14. gleig, m. 2.
15. Slufmerffamfeit,
f. 3.
16. fann man in (3)
... machen.