Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
123
ook anderen het hunne doen. Zoo ook : bie SJïeintgen, (ouders,
vrienden of bloedverwanten).
XIV. OPSTELLEN OVER DE ZELFSTANDIGE BEZITTELIJKE
VOORNAAMWOORDEN.
88.
Uwe zuster danst heter 1 dan de mijne; maar de mijne
spreekt 2 beter Hoogduitsch 3 dan de uwe, en de zuster van
onzen buurman 4 zingt 5 beter dan de uwe en dan de mijne.
Uwe broeders en de mijne zijn naar buiten gegaan 6, maar
uwe zuster en de mijne zijn naar 7 de kerk 8 gegaan. Mijn-
heer uw vader spreeM gaarne over 9 zijne kinderen en de
mijne spreekt gaarne over de zijne. Geef 10 mij uw (*) boek,
ik heb 11 het mijne verloren 11, ooh ontbreekt aan het
mijne een blad 13. De band van het uwe is schoon.
1. tanjt beffer. 6. auf baé Sanb ge; 10. gieb.
2. fpric^t. gangen. 11. ha&e ... cetlo;
3. Seutfd). 7. in, (4). ren.
4. SRac^bar, m. 3. 8. jïlrcfcc, f. 3. 12. auc^ fchlf,(3).
5. ftngt. 9. fprtchtgcrnoon,(3) 13. «Blaft, n. 4.
89.
Het laken 1 van 2 uw kleed is veel fijner 3 dan dat van 4
het mijne; maar mijn kleed is heter gemaakte dan het uwe.
Uw vest 6 is beter geborduurd 7 dan het mijne, maar het
mijne is toch veel fraaier dan het uwe. Uw zoon gelijkt
naar 8 uwen grootvader 9 en naar den mijnen; en mijne
dochter gelijkt naar uwe moeder en naar de mijne. Uw
huis is ouder dan het onze. Neem 10 (2 persoon enkelv.)
uw boek en geef 11 mij het mijne; het uwe is verscheurd 12.
1. ïuch, n. 2. .5. beftcr gemadjf. 9. ©ro§t>afcr (a),
2. au, (3). 6. SScjle, f. 3. 10. nimm. [m. 1.
3. fein. 7. geftirff. 11. gieb.
4. alé baé an, (3). 8. gleid;f, (3). 12. jerriflfen.
OVEE DE AANWIJZENDE VOORNAAMWOORDEN.
De aanwijzende voornaamwoorden, waarvan men zich be-
(*) bu, tein.