Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
118
deze woorden, ter voorkoming van dubbelzinnigheid, voor
personen gebruikt worden, bedient rnen zich van het aanwij-
zend voornaamwoord, (beffen, beren,) in den tweeden naamval,
b. V. Sr bcfuc^te felnen SSefter unb beflfen ©o^n, hij bezocht
zijnen neef en deszelfs zoon. ©ie befc^enfte l^re ©c^roelter
unb beren ïodjf^''/ zij gaf geschenken aan hare zuster en der-
zelver dochter. Ook bezigt men in dit geval vooral in betrek-
king op levenlooze dingen, den tweeden naamval beffelben, ber^
felben, achter het zelfstandige naamwoord; b. v. ©ie meiften
?0?enfch)en fïreben nacfe ©elb, obfcfeon ber Seft§ beffelben bod) nic^t
immer glüdlid; mad)t. Ue meeste menschen streven naar geld,
ofschoon deszelfs bezit toch niet altijd gelukkig maakt.
4. Indien Mijnheer, QJIein .Cef"/ Duitsch door
een eigen- of ambtsnaam gevolgd wordt, blijft het woord mein
bij het aanspreken weg: J^err mijnheer N. Dit heeft ook
plaats w'anneer het door een ander zelfstandig naamwoord
vergezeld wordt, hetwelk een bijvoegelijk bezittelijk voor-
naamwoord bij zich heeft; dit laatste komt alsdan vooraan;
b. V. 3()r .^err Sruber, mijnheer uw broeder; .O^Ten
Settern, mijne heeren uwe neven. Hetzelfde geldt voor de woor-
den graulein (*), freule, mejufvrouw, ^un.qfcr (**), jufvrouw,
juffer, grau, mevrouw, mejufvrouw, welke daarenboven steeds den
enkelvoudigen vorm behouden; b. v. ©ein graulein ©c^roefïer,
mejufvrouw zijne zuster, ©eine ^ungfer Safcn, mejufvrouwen
uwe nichten.
Bij het spreken van andere personen gebruikt men het lid-
woord in plaats van dit voornaamwoord: ber .^err ©raf, mijn-
heer de graaf, bie grau ©rafi'n, mevrouw de gravin.
XIII. OPSTELLEN OVER, DE BIJVOEGELIJKE BEZITTELIJKE
VOORNAAMWOORDEN.
84.
Mijn vader en mijne moeder zijn te huis 1; maar mijne
(*) StSufcin, waarvan ons freule eene verbastering is, was voorheen
bij uitnemendheid de titel der ongehnwde vrouwen van adel; thans echter
gebruikt men dit woord ook daar, waar men ongehuwden met mejufvrouw
aanspreekt.
(**) In 't aanspreken niet meer in gebruik.