Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
113
6. Dikwerf dient cé blootelijk ter aanduiding van het on-
derwerp , echter slechts aan het begin van een voorstel,
en komt dan in beteekenis overeen met ons er in den
zin van daar; b. v.: cg iff cin ®Otf, er is een God.
Naardien echter dit cé alleen dan mag gebruikt worden,
wanneer de eerste naamval achter liet werkwoord staat,
valt het weg, zoodra een voegwoord of een betrekkelijk
voornaamwoord het werkwoord achteraan doet komen;
b. V. ich "'«iß bag ein @ott {(!, ik weet dat er een God is.
8. De persoonlijke voornaamwoorden worden, gelijk in het
Nederlandsch, als wederkeerende gebruikt. Slechts voor den der-
den persoon heeft men een bijzonder voornaamwoord fid), zich.
9. Wanneer MJ in plaats van degene gebruikt wordt, moet
het door ticrjcnigc vertaald worden; b. v. hij, die dat zegt,
weet het niet; bcricnigc, wclchcr baé fagf, n5ci§ eé nic^f. (Zie
verder de aanw. voornaamwoorden).
XII. OPSTELLEN OVEE DE PERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.
79.
Ik leer 1; hij speelt 2 ; zij teekent 3; wij schrijven 4; zij
wandelen 5. Wij zullen 6 hem, haar en hun, en zij zullen
o^is eene aangename 7 tijding 8 mededeelen 9. Ik acht lö hem
en haar, omdat 11 zij mij vertrouwen 12 inboezemen 13. Er
zijn 14 lieden, die 15 zich zeiven prijzen 16. Hij zelf heeft
haar gevraagd 11, of 18 zij zelve liet gezegd had en zij heeft
hem geantwoord 20, dat het haar ,met in de gedachten ge.
komen tvas21, zoo iets te zeggen
1. lerne.
2. fplclt.
3. jcichnet.
4. fchrcikn.
5. fpajicren.
6. mrben.
7. angenehm.
8. üïachrichf, f. 3.
9. miftheilen.
10. achte.
11. »eil.
12. Jufrauen, n. 1.
13. cinfl(3§cn.
14. cö giebt.
15. »eiche.
16. loben.
17. hat... gefragt.
4.
80.
Kent 1 gij den heerN? Ja mijnheer, ik ken 2 hem. "Si-^heeft
14' DRUK. 8
18. ob.
19. gcfagf hatte.
20. geantwortet.
21. bag ... nicht in
benSlnngefom^
mcn »ar.
22. fo et»aé jufa^
gen.