Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
OVER DE VOORNAAMWOORDEN.
TJe voornaamwoorden dienen, om voor of in de plaats van
de zelfstandige naamwoorden gesteld te worden, ten einde
de vervelende herhaling van deze te vermijden, of om een zelf-
standig naamwoord meer bepaald aan te wijzen. Er zijn zes
soorten:
1. persoonlijke,
2. bezittelijke,
3. aanwijzende,
4. vragende,
5. betrekkelijke, en
6. niet-bepalende of algemeene voornaamwoorden.
1.
2.
3.
4.
1.
2.
3.
VERBUIGING VAN DE VERSOONLIJKE VOORNAAMWOORDEN.
Enkelvoud.
Eerde persoon. Tweede persoon.
id), ik. 1. bu, gij, ge.
mdncr, (mein) mijns, mij- 2. bciner, (bein) uws, uwer,
ner, van mij. van u.
mir, mij of aan mij. 3. bir, u of aan u.
mich, 4. bich, u.
Berde persoon.
Mannelijk.
cr, hij;
feiner, (fein) zijner, zijns, van hem;
ihm,
ihn, I
ftch,
hem of aan hem; 1
zich.
hem,
Vrouwelijk.
ftc, zij, ze;
ihrer, harer, van haar;
ihl", ) ha^iir of aan haar,
ftc, J ' haar,
I zich.