Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
verhor dezeVä stad door 20 eenen schrikkelijken 21 brand 22
dertien duizend vier honderd huizen en zeven en tachtig kerken.
18. jahif. 20. burcft, (4). 22. ge^crébrun(^
19. oerlor biefe. 21. ié)Kdl\d). (ü), f. 2.
71.
Parijs 1 is de hoofdstad 2 van Frankrijk en eene der grootste
steden van Europa. Zi/ had 3, in het jaar achttien honderd
achttien, op 4 negen duizend acht honderd acht en vijftig morgen 5
en drie roeden ß, zeven en twintig duizend drie honderd een
en zeventig huizen van vier tot 7 zeven verdiepingen 8, en,
behalve 9 de vreemdelingen 10, zeven honderd veertien duizend
inwoners, waaronder 11 dertig duizend protestanten 12, zes
duizend joden, en nagenoeg 13 zeven en tachtig duizend, die
van aalmoezen leven 14.

1. sparié.
2. .^auptfïabt
f. 2.
3. fïe hatte.
4. auf, (3).
5. SKorgen, m. 1.
12. !profe(ïant,m.3.
13. gegen, (4).
14. 21lmofencm#
pfänger, m. 1.
6. Siuthe, f. 3.
7. bié.
8. (gtocfroerf, n. 2.
9. außer, (3).
10. 5-rembling,m.2.
11. roorunter.
72.
Een mensch, diel honderd pond 2 weegt 3, 4
vier pond hersens 5. Geen dier heeft er zoo 'veelQ. Een os 7 van
acht tot negen centenaars 8 heeft er niet meer 9 dan één pond.
Men telt in 10 het menschelijk 11 lichaam twee honderd negen
en veertig beenderen 12, te weten 13: veertien in 14 de hersens,
zes en veertig in de andere 15 deelen 16 van het hoofd 17
en in den hals 18, zeven en zestig in den romp 19, twee en
zestig in de beenen 20 en in de voeten 21. Het gebeente 22
1. ber.
2. ^funb, n. 2.
3. roiegt.
4. hat gewöhnlich).
5. ©chirn, n. 2.
(enk.)
6. fein Slhicr hat
betten fo ötcl.
7. Dché, m. 3.
8. (Eentner, m. 1.
9. hat beffen nid;f
mehr.
10. man jahlt in,
(3).
11. menfd;(ic^.
12. .S'noc^en, m. 1.
13. namlic^.
14. in, (3).
15. anber.
16. Sh«'!/ m-
17. .Kopf (ö), m. 2.
18. /paté (3), m. 2.
19. 3lumpf(ü),m.2.
20. Sein, n. 2.
21. gug (ü), m. 2.
22. bie ©ebeine, n.
2. meerv.