Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
men vindt er 4, welhe achttiend voet hoog zijn. De struis-
vogel 6 is de grootste van alle vogelen, hij is bijna zoo hoog 1,
als een man te paard 8. De vliegenvogel 9 is de kleinste en
een der schoonste vogels die men Jcentl^. De walvisch 11
is de grootste zeevisch; er zijn er diel2> over de honderd
voet lang zijn.
8. ein ?Oïanii ju
^fcrb.
9. gliegcnuogcl (p),
m. 1.
10. bie man fcnnf.
4. Cé gicbt beren.
5. rodere acf;fjchn.
6. etraug, m. 2.
7. et t(t beinahe fo
hoch.
11. OBaafiTch, m. 2.
12. geepfch, m. 2.
13. Cé giebt beren
melche.
14. über hunt'fi'f.
68.
De ziel 1 is edeler dan liet lichaam 2. De natuur 3 ver-
loont ons 4 schooner voorwerpen 5 dan de kunst. De berg-
achtige 6 landstreken 7 zijn aangenamer 8 dan de vlakke 9.
"Water is een algemeener 10, gezonder 11 en goedkooper 12
drank 13 dan wijn. De lucht 14 is tachtigmaal 15 lichter 16,
dan het water. Wat 17 is wonderbaarder 18 dan de eb 19
en vloed 20 der zee 21 ?
8. angenehm. 16. leichf.
9. fïach. 17. maé.
10. gcmcln. 18. munberbar.
11. gcfunb. 19. gbbe, f. 3.
12. njohlfeil. 20. giufh / f. 3.
13. ©etranf, n. 2. 21. SOïeer, n. 2.
14. ^uft (ü), f. 2.
15. ac{;tjigmal.
69.
De jaren der jeugd 1 zijn de aangenaamste en tevens 2 de
kostbaarste 3. Dit 4 is het gevoelen 5 der wijste 6 mannen;
daarom moet 7 de jongeling 8 deze jaren op de beste wijze 9
besteden 10, zijne 11 grootst mogelijke 12 vlijt 13 aanwenden 14
1. ecclc, f. 3.
2. jfórper, m. 1.
3. SRafur, f. 3
4. jeigf uné.
5. ©cgcnftanb (a),
m. 2.
6. bergichf.
7. ®egenb, f. 3.
1. 3ugcnb, f. 3.
2. juglcici;.
3. foflbar.
4. bieé.
5. COïeinung, f. 3.
6. weife.
7. baher muf.
8. Jfunoling, m. 2.
9. aufé befïe.
10. benu^en.
11. feinen.
12. möglich-
13. gleig, m. 2.
14. anroenben.
15. um fich.