Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
op 31 vochtige 32 plaatsen 33. In West-Indië 34, Brazilië 35 en
andere Amerikaansche 36 landen, gelijk ook 37 in Oost-Indie 38
en eenige andere streken 39 van Azië 40 en Afrika, maakt 41
het suikerriet een zeer belangrijk 42 handelsartikel 43 ««7 41.
31. an, (3).
32. feucht.
33. Ört, m. 2.
34. 5B3cfïinbten,n.l.
35. Sraftltcn, n. 1.
36. amcrlfanifc^.
37. fo roie auc(>.
38. OjïinMcn, n. 1.
39. ©cgmb, f. 3.
40. 3lfïcn, n. 1.
41. niarf;t.... aué.
42. rotdjtig.
43. .^anbcléartifel,
m. 1.
TRAPPEN VAN VERGELIJKING.
In het Hoogduitsch zijn, gelijk in het Nederlandsch, twee
trappen van vergelijking: de vergelijkende trap, (bcr Sompan
ratio) en de overtreffende trap, (bcr Supcrlatio).
De vergelijkende trap wordt gevormd, wanneer men ach-
ter het bijvoegelijke naamwoord den uitgang cr, of, wanneer
het op eene c uitgaat, alleen de letter r voegt: b. v. ïlcin,
flcincr, rocifc, mcifcr.
Men vormt den overtreffenden trap door c|ï, of, in geval
dit te onwelluidend zijn mocht, alleen (i achter het bijvoegelijke
naamwoord te voegen; b. v. ficin, flcinff, rccifc, iccifcfi. De
bijvoegelijke naamwoorden op b, t, é, fd), j, |t, nemen
altijd c)t aan.
1. In den vergelijkenden en overtreffenden trap veranderen
eenige bijvoegelijke naamwoorden de wortelklinkers a, O, U,
in a, Ó , ü, als :
3llt, oud;
Slrg, erg;
2Jrm, arm;
Suram, dom;
gromm, vroom;
©rob, grof;
©rog, groot;
J^art, hard;
3un9, jong;
Jïalt, koud;
alter, ouder;
ärger, erger;
ärmer, armer;
bümmer, dommer;
frommer, vromer;
gröber, grover;
grogcr, grooter;
härter, harder;
jünger, jonger;
fältcr, kouder;
altcft, oudste.
arg)ï, ergste,
armjï, armste,
bümmfl, domste,
frcmmjï, vroomste,
gröbfi, grofst.
grögc(t'(*), grootste,
hartcfï, hardste,
jüngjï, jongste,
falfcfï, koudste.
iïlug, voorzichtig; flüger, voorzichtiger; flügcft, voorzichtigste.
(*) Dit wordt gewoonlijk samengetrokken in gröfit.