Boekgegevens
Titel: Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Auteur: Meidinger, J.V.; Elberts, W.A.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1870
14e dr.
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 1813 D 23
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204583
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Hoogduitsche spraakkunst, of Gemakkelijke wijze om de Hoogduitsche taal te leren
Vorige scan Volgende scanScanned page
3. feiner.
4. reijent).
5. ?a3crf, n. 2.
6. jene.
7. ©cgenb, f. 3.
8. reo.
9. Dlloe, f. 3.
10. SKaulbeere, f. 3.
21. 3(alien.
22. fanft.
23. blau.
24. im.
25. bunfel.
26. Saub, n. 2.
27. ©jlborange.f.S.
28. glühn.
29. franjöfifc^.
103.
riorian, een bekend 1 Fransch 29 dichter, schildert ons in 2
een zijner 3 bevallige 4 werken 5 die 6 schoone oorden 7,
waar 8 de groene olijf 9, de roode moerbezie 10 en de gou-
den 11 druif 12 gezamenlijk 13 onder 14 een'azuren 15 hemel
groeien 16; en Göthe, een der beroemdste 17 zangers 18 van
den Duitschen Helikon, bezingt 19 het heerlijke 20 Italië 21
als een land, waar een zachte 22 wind van den blauwen 23
hemel waait, en in het 24 donkere 25 loof 26 de goudkleu-
rige oranjeappels 21 gloeien 28.
1. befannt. 11. golben.
2. maltunéin,(3). 12. Sraube, f. 3.
13. beifammen.
14. unter, (3).
15. ajurn.
16. roadbfen.
17. berühmtefï.
18. (ganger, m. 1.
19. befingt.
20. prachtig.
65.
Het suikerriet 1 gelijkt 2 in het algemeen 3 naar 2 ons 4
gewoon 5 riet 6 en heeft inl zijnen 8 veelledigen 9 halm 10,
die zes tot acht 11 voet hoog, en, in door snede , eenen
halven 13 duim 14 dik 15 wordt 16, een wit 17, sponsachtig 18
met] 9 veel 20 zoet 21 sap 22 gevuld 23 merg 24, waaruit 25
de bekende suiker hereid wordt 26. Het groeit 27 slechts
in de heete 28 en warme landen van alle 29 werelddeelen 30
1. 3ucEerrohr,n.2. 11. ber fec^é bié 20. tielem.
2. t(t ....ahnlictj. acht. 21. füg.
3. im 'ilHgcmeinen. 12. im Surchmclfcr, 22. ©aft (a), m. 2.
m. 1.
13. hal6.
14. Sott, m, 2.
15. bief.
16. mirb.
17. n)ei§.
18. fchicammig.
19. mit, (3).
4. unferm.
5. gemein.
6. Schilfrohr, n. 2.
7. hat in, (3).
8. feinem.
9. üiclfnotig.
10. .^alm, m. 2.
23. angefüllt.
24. gjlarf, n. 2.
25. rcoraué.
26. bereitet wirb.
27. eé mächft.
28. hctg.
29. aller.
30. ÜSclttheil, m. 2.