Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
met den zoogenaamden stinkdas. Wij mogen ons verheugen,
als dit dier ons ongemerkt voorbij gaat, want, inzonderheid als
hij in nood verkeert, scheidt hij een kwalijkriekend vocht af,
zoo scherp, dat een enkele droppel, op onze kleederen gespat,
voldoende is om ons dagen lang een afschuwelijken reuk mede
te deel en.
Een Indisch woud is ongemeen rijk aan vogels. Wel zijn
deze niet merkwaardig om hun gezang, want, op enkele uit-
zonderingen na, doen zij slechts een schel geschreeuw of ge-
tjilp hooren; doch dit gemis vergoeden zij door wonderschoonen
vederentooi. De prachtige paradijsvogels en de bontgekleurde
papegaaien treffen wij hier niet aan; om die te vinden, moeten
wij de meer oostelijk gelegen eilanden bezoeken; daarentegen
ontmoeten wij hier fraaie wilde pauwen, boschhoenders en fa-
zanten. Een heel aardige vogel is de bed, zwart van kleur met
een fraaien blauwen weerschijn, waartegen de hooggele kraag
sierlijk afsteekt. Hij is ongeveer zoo groot als een ekster;
men kan hem gemakkelijker en beter leeren praten.
Dat het dichte loover, 't welk den bodem der bosschen be-
dekt, aan talrijke slangen tot schuilplaats verstrekt, zal ons ze-
ker niet verwonderen. Op Java zijn zeer veel adders, en ook
brilslangen worden er ruimschoots aangetroffen. De beide ge-
noemden behooren tot de giftslangen. Een niet venijnige slang,
die daarentegen ontzag inboezemt door haar grootte — zij wordt
meer dan zes meters lang —, is de python; in haar kronkelingen
kan zij zelfs groote dieren, zooals herten, doen sterven.
Het zijn niet alleen de slangen, die het woud tot een min
veilig verblijf maken: de klasse der insecten heeft er eenige
vertegenwoordigers, die voor den mensch zeer lastig kunnen zijn.
Zoo is er een soort van diertjes, iets kleiner maar veel nijdi-
ger dan onze muggen, die in Indië als een ware landplaag zijn
te beschouwen, de muskieten namelijk. In de bosschen gon-
zen zij in zwermen om u heen en steken, waar ze u maar ra-
ken kunnen; maar ook in bewoonde strandplaatsen treft men ze
aan, onvermoeid azende op het bloed van haar slachtoffer.
Een enkele muskiet, achter de gordijnen van een legerstede
zich ophoudende, is in staat, om voor een ganschen nacht het
slapen te beletten; en het mooiste is nog, dat zij bij voorkeur