Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
84
tijgers verschuilen, die vreeselijke bewoners van Java's en Su-
matra's wildernissen. Verderop, terwijl de bodem rijst, wordt
het niet beter, want nu komt men aan een dichte massa riet,
hoofdzakelijk bamboes. Dit gewas groeit in stoelen, gevormd
door stengels van wel 15 tot 25 meters, die recht opschieten
en in bevallige pluimen eindigen. De stekelachtige bamboes-
doeri, die ook wel om tuinen wordt geplant en dan een on-
doordringbare schutting vormt, moet in nuttigheid ver onderdoen
voor het gewone bamboesriet, hetwelk over gansch oostelijk
Azië is verspreid en tot verschillende doeleinden wordt ge-
bezigd. Gespleten en platgeslagen, vormt het de grondstof,
waarvan de inlanders de wanden hunner woningen vervaardigen;
een bamboesstengel dient hun tot mast voor hun lichte vaar-
tuigen, een kleinere wordt gebezigd als steel aan hun lans,
terwijl onderscheiden voorwerpen van dagelijksch gebruik van
bamboes zijn gemaakt, zooals wateremmers, drinkbakjes, muziek-
instrumenten, rustbanken, manden, rijstkokers, maten — te
veel om te noemen. Wanneer het aan de buitenzijde wordt
gebrand, is het zoo hard, dat het in oude tijden, vóór het
ijzer daar gebruikt werd, dit metaal in veel opzichten verving.
Nadat hij zich met het kapmes een weg heeft gebaand door
het bamboes heen, komt de reiziger aan den zoom van het eigen-
lijke woud, dat meestal tegen de helling van een berg opklimt,
en eerst daar eindigt, waar de spits boven het groen uitsteekt.
Met bewondering gaat ons oog omhoog langs de slanke ge-
stalten der palmen, ware boschreuzen, wier schubachtige stam
niet is vertakt, maar onmiddellijk de bladeren draagt. Die bla-
deren zijn zeer groot; zij gelijken in gedaante op reusachtige
vederen of op waaiers; de jongste vormen boven een soort van
kool, die gegeten kan worden. De palmen bereiken niet zelden
een hoogte van 25 meters; en in den ganschen Indischen Ar-
chipel treft men wel 100 soorten aan. Zij groeien tot ongeveer
tweeduizend meters boven de zee, het weligst aan de strand-
plaatsen.
Nevens deze sieraden der heete gewesten verheft zich de reus-
achtige waringin of Indische vijgeboom, ook wel Heilige boom
geheeten. Deze koning der wouden wordt ook door geheel
Indië alleenstaande aangetroffen; bijna in ieder dorp en op vele