Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
voor hem een groote ramp. Ook is hij zeer aan hen gehecht;
hij beschouwt ze als het ware als een deel van zijn gezin, en het
zal niet licht bij hem opkomen, zijn karbauen te mishandelen,
zooals de Maleiers weieens doen.
20. Een Indisch woud.
Daar, waar bij toenemende bevolking de bodem meer en
meer in bebouwing wordt gebracht, opdat een schat van
boom- en veldvruchten de belooning zij voor den vlijtige, ver-
dwijnen natuurlijk van lieverlede de bosschen. Vandaar dat
men ze op Java lang zoo menigvuldig niet aantreft als op
Sumatra en Borneo.
Grootsch en indrukwekkend is de aanblik van zoo'n woud.
Geen menschenhand heeft zich nog uitgestrekt, om den ver-
bazenden plantengroei te regelen; zelden begeeft een reiziger
of natuuronderzoeker zich daarin, en dan nog bepaalt hij zijn
tochten tot de buitenste gedeelten, omdat het doordringen in
die dichte massa's van gewassen met de grootste moeielijkheden
vergezeld gaat. Nergens vindt men paden, of het moest zijn,
dat kort geleden een troep zware dieren, zooals op Sumatra
olifanten, op Java neushoorndieren, bij het zoeken naar een
nieuwe drinkplaats zich met geweld een nauwen doorgang had
gebaand, hetgeen niet dikwijls het geval is, aangezien deze
viervoetige bewoners der wildernis zich liefst daar ophouden,
waar zij zich met meer gemak kunnen bewegen, en een tocht
door het bosch zelfs hun krachten te boven gaat. De stammen
der eeuwenoude boomen raken met hun oppervlakte schier aan
andere stammen; of van de takken eens booms schieten dikke
luchtwortels naar beneden, die, nadat zij den bodem hebben
bereikt, er in dringen en aan nieuwe boomen het aanzijn geven,
terwijl de weinige ruimte, die de koningen des wouds nog
'hebben overlaten, ingenomen wordt door heesters en slinger-
planten en kruipgewassen van honderderlei soort, het oog ver-
rukkende door een pracht van bloemen, en vaak de liefehjkste