Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
dun, dat hij bijna kaal is. Een touw wordt door de neusgaten
gestoken en aan de horens vastgemaakt; daaraan wordt een
tweede gebonden, dat als teugel dient. Gewoonlijk is de kar-
bau zoo tam, dat een kind hem drijven kan. Zonderling is
het, dat hij het gezicht van een Europeaan niet goed schijnt
te kunnen verdragen; hij wordt dan angstig, strekt den hals,
steekt den kop vooruit, zoodat zijn groote horens op den rug
liggen, en begint door den neus te blazen; nadert de Euro-
peaan, dan vlucht hij in gestrekten draf. Hij is sterk, maar
kan den arbeid niet lang achtereen volhouden; voor den ploeg
of pedati (buffelkar) loopt hij met langzamen tred. Zijn naam
wateros heeft hij daaraan te danken, dat hij zich gaarne in
poelen, vijvers of moerassen rondwentelt, of zich zoo diep daarin
verbergt, dat alleen zijn neus en oogen zichtbaar zijn. De korst
leem of aarde, die hij daarbij op de huid krijgt, is voldoende,
om hem bij den arbeid voor de hitte te beschermen. Als de
inboorlingen met een lading koopwaren in hun pedati's op reis
zijn, houden zij des nachts daar halt, waar de karbauen ge-
legenheid vinden om zich op die wijze af te koelen; waar deze
niet van nature aanwezig is, heeft men niet zelden een kunst-
matigen vijver aangelegd.
Bij de woning van den inlandschen landbouwer vindt men
een buffelkraal, waar de dieren des nachts en op het heetst
van den dag worden opgesloten, 't Is slechts een vierkante
ruimte, door stevige boomtakken afgeschut, en de vloer is be-
dekt met een slijklaag van eenige voeten hoogte, waarin de
buffels zich wentelen kunnen. Tegen den avond wordt er een
vuur aangestoken, om door den rook de zwermen muskieten
te verdrijven, die er gestadig op uit zijn om het menschen en
dieren zoo lastig mogelijk te maken. Men voedert de buffels
op stal met de groene bladeren en stengels van de maïs; over
dag, in den tijd, dat zij niet behoeven te werken, stuurt men
ze onder opzicht van een jongen in de gemeenschappelijke weide,
die dikwijls niets anders is dan een stuk onbebouwden grond,
of wel in de .sawah's, waar de paddi pas is afgesneden, en
waar zij zich dan aan de stengels te goed doen.
Een koppel buffels is meestal het voornaamste deel van de be-
zitting eens Javaans, en het verlies van een dezer dieren is
H. c. VAN DER HEIJDE, Kijkjes in de Oost. I. 4e druk. 6