Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
71
De keizer van Solo is een deftig heer, met een vriendelijk
uiterlijk. Zijn kleeding is geheel Javaansch, met uitzondering
van de verlakte laarzen; boven een fijn wit overhemd draagt hij
een zwart buis met goud geborduurd en een zeer fraaien, met
schitterende kleuren prijkenden sarong: om den hals het lint van
een Nederlandsche ridderorde, op het hoofd een soort van hoedje
zonder rand. De inlandsche grooten zijn sierlijk gekleed, doch
met naakt bovenlijf: dat is het voorgeschreven hofkostuum. De
Europeanen dragen, gelijk altijd bij plechtige gelegenheden,
een zwarten rok.
In de nabijheid des keizers zien wij eenige jonge meisjes
neergehurkt, die ieder het een of ander kenmerk van de vor-
stelijke waardigheid dragen: een zwaard, een sabel, pijlen en
boog, een wit zijden, met goud omboord zonnescherm, enz.
Ieder voorname Javaan heeft gewoonlijk een bediende bij zich,
die het zonnescherm (pajong) draagt; en dit voorwerp dient niet
alleen om schaduw te verleenen, maar ook om den rang des
bezitters aan te duiden, dewijl de kleur en de stof ervan voor
elke klasse van hoofden is vastgesteld. Nog zien wij een aar-
digen snuiter van een jongen, netjes gekleed met een blauw
fluweelen buis, witten pantalon en kostbaren sarong, op zijn
knieën naar den keizer kruipen, en, na het maken van een
diepe buiging, een geopende gouden doos aanbieden.
Wat is er in die doos?
Zij is in vijf afdeelingen verdeeld en bevat fijn gesneden ta-
bak , kalk, sirie, pinang en gambier. Sirie is het sterk prikke-
lend blad van de betel-peperplant; pinang is een noot, de vrucht
van den arecapalm, omstreeks zoo groot als een muscaatnoot,
maar harder dan deze; zooals wij hem in de doos zien is hij
aan kleine stukjes gesneden, hetgeen geschiedde, toen hij pas
geplukt en dus nog week was. De gambier-koekjes, ongeveer
4 cM. in het vierkant en iets meer dan i cM. dik, zijn gemaakt
van het taaie sap, dat gekookt is uit de struiken en bladeren
van een heestergewas , dat ook op Sumatra, maar voornamelijk
op Bintang en andere kleine eilanden wordt geteeld.
En wat doet men met die vreemde rommelzoo?
Let maar eens op: de keizer neemt een stukje noot, legt er
een weinig kalk op ter grootte van een erwt, dan een gambier-