Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
6o
„Verleden jaar was ik voor zaken te Poerbolinggo, een kleine
stad in het Noorden van de residentie Banjoemas. De assistent-
resident van de afdeeling, waarvan genoemd stadje de hoofd-
plaats is, behoort tot mijn oude kennissen, en onder zijn geleide
deed ik een aangenaam uitstapje. Eerst reden wij te paard naar
het dorp Seranjoe, waar een prachtige waterval te zien is, en
vervolgens naar het dorp Priatin. De grond rijst hier al sterk,
en het dorp Priatin ligt reeds bijna 4000 voet boven den zee-
spiegel. Daar moest mijn vriend mij verlaten, dewijl zijn be-
zigheden geen langere afwezigheid gedoogden; hij had echter
gezorgd, dat er een twaalftal koelies (sjouwerlieden) in de nabij-
heid waren, beladen met al hetgeen ik noodig had, om het mij
gemakkelijk te maken.
Te Priatin bracht ik den nacht door in de open lucht; ik
had een groot vuur doen ontsteken, om mij te vrijwaren voor
de aanrandingen der insecten, die overal bij groote zwermen
rondzweven, en weldra kregen wij bezoek van de inboorlingen,
die met mijn koelies gezelschap maakten en zich tot laat in den
nacht vermaakten met nabij het wachtvuur te tandakken (een
soort van dans).
Den volgenden morgen ging ik met mijn bruine gevolg op
weg. In het eerst was de helling niet sterk; overal, tot op een
aanmerkelijke hoogte, gingen wij langs koffietuinen en rijstvel-
den , en verderop trokken wij door dicht en hoogstammig boom-
gewas. Dat gedeelte van de beklimming zou het moeielijkst
geweest zijn, indien er geen gebaande wegen waren, dat is
te zeggen, niet zulke die met menschenarbeid zijn gemaakt,
doch die aangelegd zijn door een heel vreemde soort van werklie-
den , door rhinocerossen namelijk. Als gij mij vraagt, wat voor
gereedschappen die lui daartoe bezigen, dan antwoord ik u,
dat zij op hun tochten naar hoogere streken, alwaar welig gras
groeit, hun geliefkoosd voedsel, met hun harde huid, die als
lappen hoorn langs hun zijden nederhangt, over den grond
schuren; en omdat zij geregeld in hetzelfde spoor loopen, ont-
staan daardoor paden, zelfs in het hardst gesteente.
Nadat wij het geboomte beneden ons hadden, bleven wij rus-
ten. 't Was middag geworden en ik was zeer vermoeid. Van
mijn koelies hadden mij slechts een paar kunnen volgen; de