Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
wat te zeggen te hebben. Zijn soldaten voor het fort begonnen
een vijandige houding tegen de Engelschen aan te nemen. De
uitlevering van de gevangenen werd geëischt, waarom van den
Broek en de zijnen naar Bantam werden gevoerd. Voorts liep
de twist zoo hoog, dat de regent door den koning afgezet en
Jakatra bij het rijk van Bantam ingelijfd werd.
Dat gaf den Nederlanders weer moed. Nieuwe onderhande-
lingen werden aangeknoopt met den koning, doch men kwam
niet tot een beslissing. Inmiddels had de bezetting die geluk-
kige wending gevierd door het houden van een feestmaal, waarbij
buitensporig veel werd gedronken. Van Raey kwam kordaat
voor den dag; hij wist de vijanden op een eerbiedigen afstand
van de muren te houden en versterkte zich aanhoudend. Op-
nieuw werden de vlaggen geheschen, en, daar het fort nog
geen naam had ontvangen, doopte hij het den I2en Maart 1619
met den beroemden naam Batavia.
Gedurende de twee volgende maanden werden de vijandelijk-
heden met weinig kracht voortgezet. Daar kwam op 't eind
van Mei een schip de tijding brengen, dat Coen in aantocht
was. Kort daarop wierp de wakkere man, die in de Molukken
17 schepen en duizend soldaten had verzameld, het anker uit
voor de rivier. Hij begaf zich op het fort, en trok vervolgens
met zijn geheele macht tegen de Jakatranen op. Dezen dachten
aan geen tegenweer, maar vluchtten, zoo hard zij loopen konden.
Coen stak hun stad in brand en maakte haar met den grond
gelijk. Op dezelfde plaats werd een nieuwe stad gebouwd, die
den naam van het fort, „Batavia", verkreeg en de hoofdstad
van ons gebied werd. '
Weinige dagen later verscheen Coen voor Bantam, waar de
gevangenen hem werden uitgeleverd en hij met de Engelschen
een eervol verdrag sloot.
Dat hij ove^r de verkregen uitkomst zeer verheugd was, blijkt
uit zijn schrijven aan de bewindhebbers, waarin deze woorden
voorkomen: „De eer en goede naam van de Nederlandsche natie
zal hierdoor zeer vermeerderen, nu zal elkeen zoeken onze vriend
te zijn! . . . . Een groot deel van het vruchtbaarste landschap
en van de vischrijkste zee van Indië is nu het uwe."