Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
Zoo stonden de zaken, toen in 1617 Coen benoemd werd
tot Gouverneur-Generaal van Nederlandscli-Indië.
Op de plaats, waar thans oud-Batavia ligt, verhief zich in den
tijd, waarvan wij spreken, een niet onaanzienlijke stad, met
name Jakatra. De regent van die stad en van het omliggend
gebied was aan den koning van Bantam schatplichtig.
Ook daar hadden de onzen een factorij opgericht, en ook
daar zochten de Engelschen zich te nestelen. De regent van
Jakatra was ons in schijn genegen, maar heulde in 't geniep
met onze vijanden. Coen wist dit heel goed, en daarom had
hij hem al meermalen vergunning gevraagd, om de Hol-
landsche factorij met een fort te versterken. De regent hield
hem aan de praat en zocht de zaak te rekken. Coen, het
wachten moede, besloot eindelijk niet langer om toestemming
te vragen, maar begon in October 1618, op eigen gezag, een
versterking te bouwen.
Dat was het begin der vijandelijkheden. De regent ging
zich ook versterken; de Bantammers maakten gemeene zaak
met hem, en de Engelschen, ziende dat het tusschen ons en
de Javaansche heeren misliep, kwamen geducht uit den hoek.
Een vlootje van vijf schepen, onder aanvoering van den admi-
raal Sir Thomas Dale, kwam te Bantam aan, terwijl daarentegen
Coen's beste strijdkrachten veraf, in de Molukken waren. De
kans stond voor ons dus zeer hachelijk; binnen weinig tijd
wellicht zou nu de vraag beslist worden, of wij onze plaats in
Indië aan onze mededingers afstaan, dan wel voor goed ons
gezag aldaar vestigen zouden.
Zes dagen na zijn aankomst bewees admiraal Dale reeds,
dat hij niet gezind was werkeloos toeschouwer te blijven. On-
verhoeds pakte hij een rijkgeladen Nederlandsch schip, de
„Zwarte Leeuw", weg. Coen was over dien roof verontwaar-
digd; dadelijk zond hij een bode aan Dale, om rekenschap te
vragen. Het antwoord van den Engelschman was in de hoogste
mate beleedigend. „Ik heb", zoo sprak hij, „met opzet het schip
genomen, met opzet post gevat in straat Soenda, om alle gaande
en komende schepen der Nederlanders aan te tasten; en weldra