Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
gelden. Vele dagen achtereen was straat Soenda bijna niet te
bevaren wegens de massa puimsteen, die op het water dreef,
en niet gering ook waren de veranderingen, die de bodem had
ondergaan tengevolge van de hevige werking van het onder-
aardsche vuur.
Van een der kustplaatsen heeft men onze nadering bemerkt;
spoedig naderen van de landzijde een aantal booten met inboor-
lingen om vruchten te verkoopen. Terwijl de voorste boot dich-
ter bij ons komt, kunnen wij de lieden eens nauwkeurig bekij-
ken. Twee jonge mannen zitten te roeien: zij zijn donkerbruin
van kleur en zien er gespierd uit. Hun lichaamsbouw is krach-
tig , ofschoon zij iets kleiner zijn dan gemiddeld de Europeanen;
zij hebben kort afgeknipt, zwart haar, een grooten, platten
neus en glinsterende oogen. Hun kleeding is tamelijk eenvou-
dig: een katoenen broek, dito buisje, en om het hoofd een
doek geknoopt, als een gewijzigde vorm van tulband, dat on-
vermijdelijk kleedingstuk voor allen, die, gelijk onze mannen,
den Mohammedaanschen godsdienst belijden. Bij den achter-
steven zit, in de houding van een Europeeschen kleermaker,
dat is, met de beenen onder het lijf gekruist, een derde in-
lander te sturen. Hij heeft van zijn kostuum nog minder werk
gemaakt, want hetgeen wij in de verte voor een nauwsluitend
hemd aanzien, is niets anders dan 's mans huid: alleen heeft
hij een stuk doek om de lendenen geslagen. Laat ons er da-
delijk bijvoegen, dat dit de gewone wijze is, waarop de lagere
volksklassen, de landbouwers, de sjouwerlieden, zich bij hun
arbeid kleeden, gewoonlijk onder toevoeging van een katoenen
broek.
Het bootje is ons schip genaderd, de inlanders betreden ons
dek. Zij bieden vruchten aan, bananen, kokosnoten en pom-
pelmoes (een vrucht gelijkende op zeer groote groene oranje-
appelen, in den vorm van een kool waar de groote buitenbladen
afgenomen zijn), die de passagiers en de bemanning hun gretig
afkoopen. Voor het eerst hooren wij het zoogenaamd Laag-
Maleisch, dat op de hoofdplaatsen van Java wordt gebezigd
voor den omgang van vreemdelingen met de inlanders: het is
een gemengde taal, waarvan het hoofdbestanddeel wel oorspron-
kelijk (Hoog-) Maleisch is, doch dat door toevoeging van een