Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
i6
eigenlijk de handelsvereenigingen, die in het begin den Indischen
handel hadden opgevat, en nu tot één lichaam waren samen-
gesmolten. Zij werd bestuurd eerst door 72, later door 60 be-
windhebbers , gekozen door en uit de aandeelhouders; doch het
uitvoerend beheer werd opgedragen aan 17 uit hun midden,
die van lieverlede meer macht en invloed kregen, en gewoon-
lijk de „Vergadering van Zeventien" of kortweg de „Heeren
XVII" werden genoemd. Aanvankelijk bedroeg haar kapitaal
zes en een half millioen, verdeeld in aandeelen van drie duizend
gulden, welke aandeelen later, toen de winsten zeer groot wer-
den, zoodat het dividend (de jaarlijksche uitdeeling) weieens
vijftig percent was, natuurlijk zeer in waarde rezen. In 1606
is er 75 percent uitbetaald, en in 1720 steeg de waarde van
een aandeel tot f 32400.
Niet alleen tegenover de Staten-Generaal, maar zelfs ten aan-
zien van de aandeelhouders namen de bewindhebbers in verloop
van tijd een zeer onafhankelijk standpunt in. Vaak gebeurde
het, dat de laatsten te vergeefs inzage vroegen van de boeken,
of van de rekening en verantwoording; alleen de verplichting,
om telkens verlenging te vragen van haar octrooi (uitsluitend
recht), maakte, dat de Compagnie, in schijn althans, nog eeni-
germate onderdanig bleef aan het staatsgezag.
5. Aan wal.
Onze zeereis heeft nu ongeveer negentig dagen geduurd, en,
ofschoon zij tamelijk voorspoedig is geweest, en noch stormen
ons geteisterd hebben, noch zeeziekte haar eersten aanval ver-
nieuwd heeft, — ofschoon onze medepassagiers zoo gezellig
mogelijk waren, en menig aangenaam gesprek den tijd als 't ware
voorbij deed vliegen, — toch verlangen wij recht hartelijk naar
het oogenblik, waarop 't ons vergund zal zijn de enge ruimte
van ons vaartuig te verlaten. Wij verheugen ons dan ook zeer
over het bericht van den kapitein, die ons vertelt dat wij, als
de wind gunstig blijft, den volgenden dag waarschijnlijk den