Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
132
van welks uitbarsting in 1822 wij vroeger iets hebben verhaald,
een kale plek, geelachtig van kleur, die bij de inboorlingen de
„slachtplaats" wordt genoemd, wegens het groot aantal lijken
van dieren, die daar den grond bedekken , van vogels, van
wilde honden, ja zelfs van tijgers. Die dieren zijn het slacht-
offer geworden van een gas, koolzuur, dat daar door tal van
spleten en openingen naar buiten dringt en hen heeft doen
stikken; tevens heeft het, door de lijken aan alle kanten te
omringen en alzoo de dampkringslucht er van verwijderd te
houden, de ontbinding belet. Een mensch kan die plaats zon-
der gevaar betreden, want het koolzuur heeft een grooter soor-
telijk gewicht dan de gewone lucht en zweeft dus dicht bij den
grond.
Elders, in de nabijheid van den vulkaan Papandajan, vinden
wij een terrein, waar de grond, ook alweer ten gevolge eener
uitbarsting, geheel is gemengd met zwaveldampen, zoozeer, dat
de laatste zich met kracht een uitweg banen, wanneer men een
gat in den grond stoot. Het loopen is hier heel gevaarlijk;
men moet er al tastende met zijn stok zijn weg zoeken, want
de weeke, heete slijkmassa in slechts door een dunne aard-
korst bedekt.
Onder de merkwaardigheden, die wij in de meer bebouwde
streken ontmoeten, mogen wij niet verzuimen melding te maken
van twee belangrijke dingen: de theestruiken en de kinaboomen.
De eerste worden in de Preanger-regentschappen in menigte
aangetroffen. Aan den zuidelijken voet van den pas genoemden
Papandajan zien wij een bergvlak (plateau) 1178 meters boven de
oppervlakte der zee, alwaar zich de grootste theeplantage van
Java bevindt. Ruim duizend vrije arbeiders vinden daar bezig-
heid en worden om hun vlijt zeer geroemd. De theestruiken
zijn hier laag en van boven rond. Het plukken der bladeren
vereischt heel veel zorg, terwijl ook bij het drogen op zeer
veel omstandigheden moet gelet worden. Om zwarte thee te
krijgen, geschiedt het drogen in de zon, telkens doorschudden
en weder uitspreiden afgewisseld. De eigenaardige theereuk
ontwikkelt zich langzamerhand door gisting. Wil men groene
thee hebben, dan worden de bladeren in een verhitte pan een
weinig gedroogd, daarna gekneed, opnieuw uitgespreid en weder