Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
128
Zeer verschillend is het oordeel, dat geveld wordt over het
karakter van de Javaansche bevolking De een schrijft haar alle
deugden toe, die een mensch tot sieraad verstrekken, een ander
beticht haar van de ergerlijkste ondeugden, van de grofste ge-
breken.
Het is wel te begrijpen, dat van een bevolking, die, gelijk
wij reeds vroeger opmerkten, uit zooveel verschillende bestand-
deelen is samengesteld, moeielijk algemeene kenmerken kunnen
gegeven worden. En het oordeel zal dan ook wel grootendeels
afhangen van de min of meer gunstige zijde, van welke men
den inlander heeft leeren kennen. Velerlei omstaodigheden
kunnen daarop invloed hebben uitgeoefend.
Hier, in de Preanger-regentschappen, waar de gelegenheden,
om met vreemdelingen in aanraking te komen, zich niet zoo
vaak voordoen als elders, heeft de inlander zich van vele on-
deugden weten vrij te houden. Hier is hij eerlijk en arbeid-
zaam, bedaard en zachtzinnig, matig en gastvrij. Maar met
zijn verstandelijke ontwikkeling is het treurig gesteld; geen
wonder, niemand heeft zich moeite gegeven, om hem eenig on-
derwijs te doen genieten. Zijn godsdienst bestaat in eenige
uiterlijke plechtigheden, in het werktuigelijk opdreunen van
eenige gebeden in het Arabisch, een taal, waarvan hij geen
woord verstaat, maar die zijn priesters, dikwijls Arabieren, hem
hebben voorgepreveld. Daarbij is hij bijgeloovig in de hoogste
mate. Wij hebben dat reeds opgemerkt, toen wij zagen met
hoeveel eerbied de Javaan den krokodil bejegent; ook voor den
tijger, dien geduchten bewoner van de zoomen der wouden,
koestert hij een soortgelijk ontzag; hij zal hem wel geen spijs
bezorgen, maar hij noemt hem toch altijd „heer", en er behoort
heel wat toe om den dessabewoner zoover te krijgen, dat hij
jacht op hem zal maken, ondanks het uitlokkende van de premie,
die de regeering op het dooden van een tijger heeft gesteld.
Een schrijver, die de Javanen nauwkeurig kent, zegt van hen:
„Hun gansche bestaan is bijgeloof; bijgeloof regelt hun doen
en laten, bestuurt hun opvoeding, bepaalt de waarnemingen
en ceremoniën bij geboorte, trouwen en sterven. Is een kind
verdwaald, verloren geraakt of ziek, kwijnt het veldgewas ol
gaat de handel niet voorspoedig, aanstonds wordt dit aan een