Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
]3at is te zeggen, we zullen dat doen op een heel eenvoudige
wijze, zonder opoffering van veel tijd, geld en moeite. Zonder
bij het afscheid nemen van onze ouders, broeders en vrienden
veel tranen te storten, gaan wij er maar dadelijk op los.
2. Op reis naar Java.
Uit alle hoeken van Nederland zijn wij te Amsterdam bijeen-
gekomen. Een flink, voor passagiers en goederen doelmatig
ingericht vaartuig ligt gereed, 't Is een zeilschip, en daar wij
niet den kortsten weg naar Indië zullen nemen, mogen wij wel
bedenken, dat zoo'n reis een heele geschiedenis is. Twaalf of
veertien weken zullen er minstens mee gemoeid zijn, als alles
goed gaat, hetgeen wij maar hopen willen.
Een sleepboot, met een ervaren loods aan boord, brengt ons
schip het Noordzeekanaal uit. En pas heeft de stem onzer
vrienden, die ons tot IJmuiden vergezelden, ons „vaarwel" toe-
geroepen, of wij dansen reeds op den breeden plas.
Wij zien nog eens om. Hoe liefelijk, hoe rustig blinken de
zonnestralen langs de lichtgele, hier en daar met bruine heide-
planten begroeide duinenrij, terwijl van tijd tot tijd een enkele
torenspits zich even kijken laat. Geen wonder, dat een wee-
moedig gevoel ons bekruipt, nu de vaderlandsche kust meer en
meer met het grijsachtig groen der zee ineensmelt. Doch het
verlangen naar de nieuwe tooneelen, die wij hopen te aanschou-
wen, en de verwachting van een vroolijk wederzien, hebben
weldra onze smartelijke gewaarwordingen verdrongen.
Maar 't duurt niet lang, of een gevoel van geheel anderen
aard komt het ons lastig maken. We hebben nog nooit een-
zeereis gedaan, en de beweging van het schip, het op- en ne-
dergaan van de golven, die, hoe kalm het weer ook zijn moge ,
toch nooit in rust verkeeren, schijnen ons wel niet erg te bevallen,
't Wordt ons zoo vreemd, 't is alsof een nevel ons voor de
oogen trekt . . . Och ja, de gewone vijand van nieuwelingen