Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
Voor de ontwikkeling van de welvaart onder de inlanders
werd door de Compagnie nagenoeg niets gedaan.. De wegen
werden verwaarloosd, de belangen van het onderwijs de aan-
dacht niet waardig gekeurd. Als slechts rijke ladingen in de
Nederlandsche havens werden aangebracht, dan was alles goed;
dan sloten de Heeren XVH de oogen, om de onrechtvaardig-
heden niet te zien, waaraan hun ondergeschikten zich in het
verre Oosten schuldig maakten.
In de tweede helft der vorige eeuw werd het verval, waar-
aan de Compagnie leed, duidelijk zichtbaar. Weldra kon zij
niet blijven bestaan zonder geldelijke hulp van den Staat. Die
hulp werd wel toegezegd, maar nu moesten de bewindhebbers
zonder verdere geheimhouding den toestand der koloniën bloot-
leggen.
Verschillende gebeurtenissen verhaastten den val der Com-
pagnie , nadat alle middelen, die men beraamd had, om haar te
redden, vruchteloos bleken te zijn.
In 1780 geraakten wij in oorlog met Engeland. De schepen,
die, met koopwaren bevracht, uit Indië terugkeerden, werden
door de Engelschen aangehouden, waardoor de Compagnie
zware verliezen leed. Toen in 1795 onze Stadhouder Willem
V naar Engeland de wijk nam, riep hij de hulp in der Engel-
schen , om de koloniën te bezetten en te verhinderen, dat deze
den Franschen in handen zouden vallen. Al dadelijk maakten
de Engelschen zich meester van onze nederzettingen aan de
Kaap de Goede Hoop en op het eiland Ceylon, en, had het
hun niet aan krijgsvolk ontbroken, dan zouden zij wellicht reeds
toen de Indische eilanden aangetast hebben.
Vier jaren later hield de Compagnie op te bestaan. Haar
schuldenlast, groot 134 milhoen gulden, werd door de Bataaf-
sche Republiek overgenomen. Ons toenmalig staatsbestuur
hoopte dit bezwaar door een beter beheer te boven te komen.
Maar met het beraadslagen daarover gingen jaren voorbij, en
nog waren de plannen niet tot rijpheid gekomen, toen de Ba-
taafsche Republiek plaats maakte voor het Koninkrijk Holland
en Lodewijk Napoleon het hoofd van onzen staat werd.
Deze zag duidelijk in, van hoeveel belang het behoud der
koloniën voor ons land was. Hij begreep ook, dat er geen