Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
111
delijk hebben wij den top bereikt. Wij staan nu op een reus-
achtigen, bijna cirkelvormigen muur. 't Is de rand van den
krater des vulkaans. Maar het oog staart hier niet, gelijk bij
zoo menigen anderen vuurspuwenden berg, in een bodemloo-
zen afgrond; hier zien wij, tot onze verbazing, ongeveer drie-
honderd meters beneden ons een dorre zandvlakte, waarop zich
eenige met groen bekleede bergtoppen verheffen.
We laten ons langs de binnenzijde van den kraterrand ne-
der ; dat kost eenige moeite, want op de plaats, waar wij ons
bevinden, loopt hij steil naar omlaag. Men heeft daarom in
den binnenrand een weg uitgekapt, die zigzagsgewijze naar be-
neden gaat. We staan nu op de zoogenaamde zandzee, den
eigenlijken bodem van den vulkaan. We loopen verder tot aan
de bergen, die we pas ontdekten. Drie daarvan vertoonen
niets bijzonders dan het levendig groen, dat hun helling bedekt,
en dat wonderlijk afsteekt bij het grauwe wit van de zandzee ;
maar de vierde, de 220 meters hooge Brama, ziet er dor en
doodsch uit en werpt rook en nu en dan steenen uit, ten be-
wijze, dat de vulkanische stoffen onder onze voeten nog altijd
in werking zijn. Ware de Brama in rust, dan'zouden wij hem
kunnen beklimmen, hetgeen gemakkelijk gemaakt wordt door
bamboezen ladders, die tegen de helling zijn gelegd; nu zullen
we 't maar niet doen, wegens het gevaar, dat er aan verbonden is.
Een blik van den top in de diepe kolk, die steeds met rook en
damp is gevuld en waarin het onophoudelijk loeit en bromt,
is anders wel eenige inspanning waard. We zullen ook niet
de zandzee langs haar geheele middellijn oversteken, want een
rit van meer dan zeven duizend M. over den dorren bodem
biedt, na de reeds doorgestane vermoeienis, weinig uitlokkends
aan. We gaan daarom denzelfden weg terug, langs welken wij
gekomen zijn, rusten een poos in het dorp, waar wij onze paarden
hebben moeten achterlaten, en keeren weder naar Malang.
Van daar rijden wij terug naar Pasoeroean, met het voor-
nemen spoedig die stad te verlaten, hoogst tevreden over het
vele schoone, dat wij gedurende ons verblijf aldaar hebben
aanschouwd.