Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
I lO
de teelt aan den vrijen wil der Javanen overgelaten. Eenigen
tijd verkeerde zij in den besten staat; zoowel voor het eigen
gebruik der inwoners als voor den handel werden aanzienlijke
hoeveelheden verbouwd. Af en toe zijn in onderscheiden ge-
deelten van Java woeste gronden ontgonnen, en ook daar werd
de tabaksteelt met voordeel aangewend. In de laatste jaren
werd echter op dit product verlies geleden, zoodat vele onder-
nemingen weer zijn opgeheven.
Ook wordt hier de koffiecultuur op groote schaal gedreven;
zij is er meer winstgevend en voor de bevolking voordeeliger
dan in eenig ander gedeelte van Java. De residentie Pasoe-
roean telde in 1872 één zevende van het geheele aantal koffie-
boomen van Java, maar de opbrengst was omstreeks één derde
van het geheel. Bijna al die koffie wordt gekweekt in de af-
deeling Malang en is voor nagenoeg boschkoffie.
De hooge ligging van Malang is ook oorzaak, dat het ver-
blijf in die afdeeling als zeer bevorderlijk voor de gezondheid
wordt beschouwd. Personen, wier gestel door aanhoudende
werkzaamheden onder een heet klimaat geleden heeft, gaan vaak
voor korteren of längeren tijd naar Malang; er is daar dan ook
een inrichting , waar kranken worden opgenomen en verpleegd,
en waar zij alle geriefelijkheden vinden, die tot hun herstel
dienstig zijn.
Tot het belangrijkste gedeelte van ons verblijf in dit schoon
gewest rekenen wij een bezoek aan den hoogsten top van het
Tenggergebergte. Langs een fraaien weg, links en rechts door
koffietuinen begrensd, gaan wij onmerkbaar omhoog. De lucht
wordt koeler; spoedig hebben wij een hoogte bereikt, waar de
rijstbouw niet meer plaats kan hebben en waar Europeesche
en andere gewassen welig tieren. Nu begint de eigenlijke be-
klimming ; de breede weg is in een smal en tamelijk steil berg-
pad veranderd. Heerlijk is de aanblik van het landschap rondom
ons. Overal zweeft het oog langs bebouwde velden en vrucht-
dragend geboomte; in het Zuiden ontdekken wij een dicht
bosch, dat tot aan de kust voortloopt, terwijl in het Oosten
de Straat van Madoera zich vertoont. Wij gaan verder. Ein-